Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ginnen te prediken. Maar nu was de schoolmeester van de eerste verrassing bekomen.

„Is het je bedoeling, Hök Matts, dat je nu wilt spreken?" viel hij hem in de rede.

„Ja, dat is mijn bedoeling," zei de man. Hij werd bang als een kind, toen hrj Storms donker gezicht zag. „Ja, maar 't was mijn plan eerst aan Meester en de anderen te vragen of ik mocht," zei hij ootmoedig.

,,'t Is hier nu gedaan voor vanmiddag," zei Storm beslist.

De kleine, vriendelijke man begon te smeeken met tranen in de oogen.

„Als ik maar een paar woorden zeggen mocht, 't Is alles maar zooals 't in me opkwam, terwijl ik achter den ploeg liep, of op de houtmijt paste, en nu wil het er uit."

Maar de schoolmeester, die zelf zulk een eervollen dag had gekend, kende geen barmhartigheid.

„Matts Erikson komt hier met zijn eigen bedenksels, en zegt dat het Gods woord is," zei hij bestraffend.

Hök Matts durfde niets meer zeggen, en de schoolmeester sloeg het gezangboek open. „We zullen zingen gezang 187," zei hij. Hij las met luider stem 't gezang voor en begon toen te zingen.

„Houdt gij uw vensters open naar de zij van Jeruzalem?"

En intusschen dacht hij: ,,'t Was mooi, dat de dominee juist vanmiddag kwam, zoodat hij zien kon, dat ik orde kan houden in mijn Sion."

Maar nauwelijks was 't gezang uit, of een der toehoorders stond op. 't Was Ljung Björn Olofsson, een trotsch en deftig man, met een van de Ingmarsdochters getrouwd en eigenaar van een groote hoeve in de kerkbuurt.

„Wij vinden hier," zei Ljung Björn zeer beleefd, „dat Meester ons misschien even om raad had moeten vragen eer hij Matts Erikson afwees."

„Zoo, vind je dat, mijn jongen?" zei de meester op denzelfden toon, dien hij tegen een kleinen kleuter gebruikt zou hebben; „dan moet ik je even zeggen, dat niemand behalve ik wat te zeggen heeft in deze zaal."

Ljung Björn werd vuurrood. Hij had geen twist willen zoeken met Storm. Hij had alleen den slag wat willen verzachten voor Matts Hök, die een goed mcnsch was. Nu kon hij toch niet laten boos te worden om het antwoord, dat hij gekregen had. Maar eer hij nog wat zeggen kon viel een van hen, die met Hök Matts gekomen waren, hem in de rede.

„Ik heb Hök Matts nu twee keer gehoord, en ik moet zeggen, dat het verwonderlijk was. Ik geloof, dat het allen aanwezigen goed zou doen hem té hooren."

63

Sluiten