Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Vader zulk een koninklijk paleis in 't bosch had. Hier zie je muren, die kou en sneeuwstorm tegenhouden," en hij stak den arm dwars door de takken.

Vader kwam achter ons aan en lachte. Zij waren beiden zwart van 't roet en roken naar den kolenrook, maar nooit heb ik Vader zoo vroolijk en opgewekt gezien. Geen van beiden kon binnen rechtop staan, en er waren enkel een paar bedden van takjes en een paar steenen, waarop een vuur brandde, maar ze waren door en door vergenoegd. Ze gingen naast elkaar zitten op een van de bedden en deden den etensdrager open.

„Ik weet niet of je er wel wat van krijgt," zei Sterke Ingmar „dit is mijn Kerstmaal."

„Je moet barmhartig zijn, omdat 't Kerstavond is," zei Vader.

„Ja, dan kun je een armen, ouden kolenbrander geen honger laten lijden."

En toen begon 't maal; er was ook een beetje brandewijn bij en ik verbaasde er me over, dat menschen zoo blij met eten en drinken konden zijn.

„Je moet aan Moeder zeggen," zei Sterke Ingmar tegen mij, „dat Groote Ingmar al mijn eten heeft opgegeten. Ze moet me morgen weer wat zenden."

„Ik zie dat het waar is," zei ik.

Op 't zelfde oogenblik schrikte ik, want er knetterde iets in den haard. Het klonk bijna, alsof iemand kleine steentjes op de vuurplaat gooide.

Vader merkte het niet; maar Sterke Ingmar zei dadelijk: „Ah zoo, is 't alweer zoo."

Maar hij bleef zitten. Toen knetterde 't weer, nu veel harder. Ik zag niets, maar 't was alsof er een handvol steenen in 't vuur gegooid werd.

„Ja zoo, is 't zóó erg," zei Sterke Ingmar en ging naar buiten.

„Ja, het brandt wel hier en daar in de kolen," riep hij, „maar je kunt wel blijven zitten, Groote Ingmar. Ik kan me alleen wel redden."

Vader en ik bleven stil zitten. Geen van ons beiden had lust om iets te zeggen.

Toen kwam Sterke Ingmar weer binnen en nu begonnen ze weer te schertsen.

„Zulk een vroolijk Kerstfeest heb ik in jaren niet gehad, dunkt me," zei hij.

En juist bij die woorden begon het geknetter weer. „Wel, wel, is 't alweer zoo laat!" zei hij, en ging naar buiten. Het was weer begonnen te branden in de kolen. Toen hij terugkwam, zei Vader: „Nu iie ik, dat je zulke goede hulp hebt, dat je je wel alleen kunt redJen hier by de kolen."

73

Sluiten