Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderweg ontmoette hij Anna Lize. Ze zag er verschrikt uit, alsof ze zich wel verstoppen wou.

Sterke Ingmar liep haastig voort langs het pad. Hij kwam aan zijn huis en bleef met gerimpeld voorhoofd staan. Dicht aan den ingang had, zoolang hij leefde, een groote rozestruik gestaan; die was hem lief als zijn oogappel geweest; hij had nooit iemand toegestaan een roos of een blad van de struik te plukken. Geen kwaad was ooit den boom genaakt.

Sterke Ingmar had zoo goed op de struik gepast, omdat hij wist, dat er dwergjes onder woonden.

Maar nu was de struik weggehouwen. Natuurlijk was het de schoonzoon, de predikant, die hem niet had kunnen verdragen.

Sterke Ingmar had zijn bijl in de hand; hij klemde de vingers steviger om den steel, toen hij het huis binnenging.

Hellgum zat daar met den bijbel voor hem. Hij zag op en keek Sterke Ingmar diep in de oogen. Toen las hij voort met luide stem:

„Maar wanneer gij denkt: „Wij zullen doen als de heidenen, en als andere menschen in dit land, die stokken en steenen aanbidden, zal het u niet goed gaan.

„Zoo waar ik leef, spreekt de Heer, ik zal u tuchtigen met sterke hand, met uitgestrekten arm en met felle strengheid."

Zonder een woord te zeggen ging Sterke Ingmar de kamer uit. Dien nacht sliep hij in de schuur. Twee dagen later trok hy met Ingmar het groote bosch in om kolen te branden en timmerhout te hakken. Zij waren voornemens den heelen winter uit te blijven.

Een paar maal was Hellgum opgetreden op een bijeenkomst en had zyn leer uitgelegd, die zooals hy zei, het eenige ware Christendom was. Maar Hellgum was niet welsprekend, zooals Dagson. Hij had geen aanhangers gewonnen.

Zy, die hem hadden ontmoet op velden en wegen en hem maar een paar woorden hadden hooren zeggen, verwachtten groote dingen van hem, maar toen Hellgum een lange voordracht moest houden, werd hij zwaar op de hand, geesteloos en vermoeiend.

Toen het tegen 't eind van den zomer liep, werd Karin Ingmarsdochter zeer gedrukt. Men hoorde haar maar zelden een woord spreken. Ze was nog altijd niet in staat te loopen, en zat den geheelen dag onbeweeglijk in haar stoel. Zij trachtte geen predikant meer te hooren, maar zat alleen zich te verdiepen in haar ongeluk. Nu en dan zei ze tot Halfvor, dat ze altijd haar va'der had hooren zeggen dat de Ingmarsens niets behoefden te vreezen, als ze Gods wegen maar gingen. Maar nu wist ze, dat dit ook al niet waar was.

89

Sluiten