Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haifvor stelde eens in zijn radeloosheid voor, dat ze eens met dezen nieuwen predikant zou spreken, maar Karin antwoordde snel, dat ze geen hulp meer bij geestelijken wilde zoeken.

Op een Zondag aan 't eind van Augustus, zat Karin alleen aan 't venster in de groote kamer, 't Was stil op de heele hoeve èn Karin had moeite wakker te blijven. Het hoofd zonk haar al dieper op de borst en eindelijk sliep ze in.

Ze werd wakker, doordat iemand vlak onder haar venster begon te praten. Ze kon niet zien wie het was, maar de stem was krachtig en diep. Mooier stem had ze nooit gehoord.

„Nu weet ik, Halfvor, dat je 't dwaas vindt dat een arme, ongeleerde smid de waarheid zou gevonden hebben, waar zooveel geleerde heeren misgrepen."

„Ja," antwoordde Halfvor, „ik weet niet hoe je je zoo zeker kunt voelen."

„Dat is Hellgum, waar Halfvor nu mee spreekt," dacht Karin. Ze probeerde het venster te sluiten, maar 't gelukte haar niet.

„Maar nu is er immers gezegd," ging Hellgum voort, „dat als iemand u op de eene wang slaat, ge hem ook de andere toekeeren moet — en dat we den booze niet moeten weerstaan, en nog zooveel andérs in die richting. En dat alles kan niemand doen. De menschen zouden je akkers en bosschen afnemen, en je aardappels stelen, en je zaad wegdrageni als je je eigendommen^ niet verdedigde. Ze zouden je de heele Ingmarshoeve afnemen."

„Dat kan wel zijn," gaf Halfvor toe.

„Ja, dan heeft Christus daar zeker niets van gemeend, dunkt me. Hij heeft maar zoo wat staan praten." „Ik begrijp niet waar je heen wilt."

„Zie er is nog wat anders, waar we eens over moeten denken," zei Hellgum. „En dat is, dat we zoo onbegrijpelijk ver met ons Christendom gekomen zijn. Er is niemand meer, die steelt, en niemand, die moordt, en niemand, die weduwen en weezen onrecht doet. Niemand haat of vervolgt nu een ander meer. 't Gebeurt nooit, dat iemand onder ons slecht handelt, nu wij zulk een goeden godsdienst hebben."

„Er is wel veel, dat niet is, zooals 't wezen moest," gaf Halfvor zachtmoedig toe. Hij scheen slaperig en niet belangstellend.

„Maar als je een dorschmachine hebt, Halfvor, die niet deugt, dan kijk je toch na wat er aan mankeert. En je houdt niet op, eer je weet, waar de fout zit. En als je nu ziet, dat het heelemaal niet gaat de menschen er toe te brengen een christelijk leven te leiden, dan moest je toch eens nazien, of er ook een fout in 't Christendom zelf kan wezen."

„Ik kan niet gelooven, dat er iets zou ontbreken aan de leer van Jezus," zei Halfvor.

90

Sluiten