Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was ook een goed nieuws voor Ingmar, dat Hellgum nog in 't dorp was. Den vorigen zomer was Hellgum dikwijls bij de zagerij gekomen om met Ingmar te praten en ze waren goede vrienden geworden. Ingmar bewonderde Hellgum als den uitnemendsten man, dien hij ooit ontmoet had. Nooit had hij iemand gezien, die zoo manlijk en welbespraakt was en zoo vast op zich zelf vertrouwde.

Nu en dan, als het heel druk was, had Hellgum de jas uitgegooid en in de zagerij meegeholpen. Dan was Ingmar zeer verbaasd geweest, want nooit had hij iemand gezien, die zóó vlug in 't werk was.

Juist nu was Hellgum een paar dagen op reis, maar men wachtte hem spoedig terug.

„Ja, als je maar met Hellgum spreekt, dan ga je wel met ons mee," zei Karin telkens. En dat geloofde Ingmar ook, hoewel hij onrustig werd bij de gedachte, dat hij mee zou doen aan iets wat zijn vader afkeuren zou. ,,'t Was immers juist Vader, die ons altijd leerde Gods wegen te gaan," zei Karin.

't Was alles zoo goed. Ingmar had nooit kumien gelooven, dat hij 't als zoo iets heerlijks kon voelen weer onder menschen te zijn. Er was alleen maar één ding, dat hij miste, en dat was, dat niemand over 't gezin van den schoolmeester en over Gertrud praatte, 't Was een groote tegenspoed, want Ingmar had Gertrud in geen vol jaar ontmoet. Maar den vorigen zomer had hij genoeg van haar gehoord, want toen ging er geen dag voorbij, dat niet iemand over de Storms praatte.

't Was zeker wel toevallig, dat men over hen zweeg; maar er is toch iets angstigs in, als men zoo verlegen is ergens naar te vragen, en niemand uit zichzelf begint te praten over wat men 't liefst wil hooren.

Maar was Ingmar gelukkig en tevreden, heel anders was het met Sterke Ingmar gesteld. De oude was stil en knorrig en moeielijk te voldoen. „Ik geloof, dat je naar 't bosch verlangt," zei Ingmar tegen hem op een middag, dat ze samen het avondmaal gebruikten.

„Ja, dat weet de hemel!" antwoordde de oude, „ik wou wel dat ik niet thuis gekomen was."

„Wat is er dan voor verkeerds hier?" vroeg Ingmar.

„Vraag je dat nog?" antwoordde Sterke Ingmar. „Ik dacht dat je wel wist, dat 't heelemaal mis ging met Hellgum.

Ingmar zei, dat hij juist' gehoord had, dat Hellgum een groot man geworden was.

„Ja, hij is zoo'n groot man, dat hij de heele gemeente ondersteboven gehaald heeft."

Ingmar dacht er aan hoe wonderlijk 't was, dat Sterke Ingmar

Jeruzalem. 7

97

Sluiten