Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, Hellgum en Gertrud zijn goede vrienden geworden, sinds hij heeft toegegeven, toen met Gunhild.

Toen Gertrud 't geraas in de schoolkamer hoorde, zei ze tegen Hellgum: „Je komt juist van pas om wat nieuws te zien. Van nu af aan zullen de schoolkinderen den schoolmeester onderwijzen."

Toen begon Hellgum te lachen, hij begreep wel, dat dit al te gek was. Hij joeg gauw de kinderen weg en daarmee was die dwaasheid uit."

Ingmar voelde, dat Sterke Ingmar, terwijl hij dit alles vertelde, hem op een bizondere manier aanzag; hij deed als een jager, die een gevelden beer aanziet, en niet weet of hij nog een schot moet hebben.

„Ik weet niet wat je van me wilt," zei Ingmar.

„Wat zou ik van je willen? Je bent nog maar een jongen. Je bezit immers ook niets. Je hebt alleen twee leege handen om aan te bieden.

„Ik geloof eigenlijk, dat je wilt, dat ik Hellgum dood zal slaan."

„Ze zeiden daar in de kerkbuurt, dat alles in orde was, als je Hellgum bewegen kon weer heen te gaan."

„Je zult altijd zien, dat strijd en tweedracht ontstaat als er een nieuwe leer opkomt," zei Ingmar.

,,'t Zou in alle geval een gelegenheid voor je zijn om den menschen te toonen wat je kunt," zei Sterke Ingmar hardnekkig.

Ingmar wendde zich van den ouden man af, en bracht de zagerij aan den gang. Hrj had nu liever dan ooit willen vragen hoe 't Gertrud ging, en of zij zich al bij de Hellgumianen had aangesloten, maar hij was te trotsch om zijn onrust te toonen.

Tegen acht uur ging Ingmar naar huis om te ontbijten. Zooals gewoonlijk was er een goed maal voor hem klaargezet, en Halfvor en Karin waren buitengewoon vriendelijk. Zoodra hij ze zag, meende Ingmar, dat hij geen woord van al de praatjes van Sterke Ingmar hoefde te gelooven. Hij werd weer opgeruimd en was overtuigd, dat de oude man den stand van zaken overdreven had.

Maar spoedig werd de onrust over Gertrud zoo sterk, dat hij niet eten kon, „Ben je in kort by den schoolmeester geweest, Karin?" vroeg hij plotseling.

„Neen," antwoordde Karin snel. „Met zulke goddelooze menschen wil ik niet omgaan."

Ingmar zweeg lang, want dit was. een antwoord, dat hem veel te denken gaf. Moest hij nu zwijgen of spreken? Als hij sprak, kwam hij in botsing met zijn familie; maar hij wilde ook niet, dat ze zouden meenen, dat hij goedkeurde wat verkeerd was.

„Ik heb nooit iets van goddeloosheid bij den schoolmeester gemerkt, en ik heb er toch vier jaar in huis gewoond."

Karin dacht nu bijna 't zelfde als Ingmar zoo pas. Ze vroeg

104

Sluiten