Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten komen? De menschen zeggen, dat alles zoo prachtig groeit na de bemesting met kalk. Dat zal de moeite waard zijn om te zien in den herfst." „In den herfst, Vader?" zegt de zoon.

„Ja, ik weet 't wel," antwoordt de boer. „In den herfst zal ik in de hutten Jacobs wonen en in 's Heeren wijngaard arbeiden.' „Ja!" zegt de zoon; „zoo is het, Amen!"

Zij loopen een poos zwijgend door en zien naar het lentegroen, dat overal uitbot, 't Water komt op in de slooten en de weg zelf is geweekt door den lenteregen.

Waar men heenziet, overal is werk, dat gedaan moet worden. Ieder mensch krijgt lust de handen uit te steken en te helpen, zelfs al gaat hij over een veld, dat het zijne niet is.

„Ja, ja," zegt de boer nadenkend, ,,'t is de waarheid, dat ik liever gewild had, dat ik mijn hoeve in den herfst kon verkoopen, als 't werk is afgedaan, 't Is hard er in 't voorjaar af te moeten, juist als men met alle kracht aan 't werk zou willen gaan."

De zoon trekt de schouders op. Hij ziet in, dat hij den oude moet laten praten.

,,'t Is nu een en dertig jaar geleden, dat ik als jongen een veld kocht, heel aan den buitenkant ten noorden van de gemeente," zegt de boer. „Daar was nog nooit een spa in den grond gestoken, 't Halve gedeelte was een moeras en de andere helft een steenhoop, 't Zag er verschrikkelijk uit. In dien steenhoop heb ik steenen gehouwen, tot ik dacht, dat mijn rug er van breken zou. En toch geloof ik, dat ik nog meer werk had met het moeras, eer ik 't met slooten omringd en drooggemaakt had."

„Ja, je hebt veel gewerkt, Vader," zegt de zoon. „Daarom heeft God aan je gedacht en je naar Zijn heilig land geroepen."

„En in dat begin," gaat de boer voort, „woonde ik in een hut, die niet veel beter dan een kolenbranderskeet was. Die was opgetrokken van ruwe stammen, waar de bast nog om zat, en op het dak lag enkel vastgetrapte aarde. Ik heb nooit 't dak dicht tegen den regen kunnen maken, 't Was heel lastig, vooral 's nachts. En de koe en 't paard hadden 't niet beter dan ik. Den heelen eersten winter stonden ze in een gat in den grond, waar 't zoo donker was als in een kelder."

„Vader," vraagt de zoon, „waarom ben je gehecht aan een plaats, waar je 't zoo slecht gehad hebt?"

„Maar denk er ook eens aan hoe heerlijk het was," zegt de vader, „toen ik groote stallen voor de dieren kon bouwen, en toen de veestapel jaar na jaar zich zoo uitbreidde, dat ik aldoor meer ruimte moest maken. Als ik nu mijn hoeve niet verkoopen moest, zou ik 't dak van de schuur moeten vernieuwen, 't Had

143

Sluiten