Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan gewoonlijk. Een paar roode vlekken brandden op haar wangen, en zij zag er even gepijnigd uit, als toen ze al die ellende met Eljas had.

Ze wilde Moeder Stina zoeken en haar vragen binnen te komen. „Ik heb eerst nu gezien, dat u hier was."

De vrouw van den schoolmeester was wat koel en wilde niet meegaan; maar Karin overwon haar tegenstand door te zeggen: „Wij willen zoo graag, dat alle strijd vergeten zal zijn, nu we heengaan."

Terwijl ze over de hoeve gingen, waagde Moeder Stina te zeggen:

,,'t Moet een zware dag voor je zijn, Karin." Karin zuchtte, maar antwoordde niet.

„Ik weet niet hoe je 't hart hebt al dat oude goed te verkoopen."

„Wat we 't meest liefhebben, moeten we 't eerst aan den Heer offeren," zei Karin.

„De menschen vinden 't heel vreemd," begon Moeder Stina, maar Karin viel haar in de rede: „De Heer zou 't heel vreemd vinden, als we iets afnamen van wat aan hem gewijd is!"

^ Moeder Stina beet zich op de lippen en zei niets meer. Er kwam niets van alle verwijten, die ze Karin had willen doen. Karin had zoo iets waardigs over zich, dat niemand moed had haar te berispen.

Toen ze de breede stoep voor de gang op zouden gaan, legde Moeder Stina haar hand op Karins schouder. „Heb je wel gezien, wie daar staat?" zei ze, en wees naar Ingmar.

Karin scheen even ineen te zinken. Ze wachtte zich wel naar den kant te zien, waar Ingmar stond.

„De Heer zal een uitweg vinden," mompelde ze, „de Heer zal een uitweg vinden."

In de groote kamer was niet veel veranderd door de verkooping, omdat banken en bedden daar vaststonden tegen den muur en niet verzet konden worden. Maar de koperen vaten hingen niet meer aan den wand, en de bedsteden gaapten leeg, zonder gordijnen en dekens, en de blauw geschilderde kastdeuren, die vroeger vaak op een kier gezet werden, om den vreemden de hooge zilveren kannen en bekers te laten zien, die op de planken stonden, waren nu gesloten als een teeken, dat daar binnen niets meer bewaard werd, wat de moeite waard was te vertoonen. 't Eenige wat den wand nog versierde, was het schilderij van Jeruzalem, dat dien dag weer met een niéuwen Krans van groen was omringd.

De groote kamer was vol familieleden en geloofsgenooten van Karin en Halfvor. De een na den ander werd met veel plichtplegingen naar voren geleid om onthaald te worden aan een groote,

153

Sluiten