Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeker van zijn zaak te zijn; hij wist wel, dat hij macht had het hoogste bod te doen. De herbergier van Karmsund stond aan t venster- hij was zeer bewogen, 't zweet parelde hem op 't voorhoofd en zijn handen beefden. Berger Sven Person zat in een sofa achter in de kamer, zijn groot, kalm gezicht verraadde geen spoor van ontroering. Hij zat met de handen op de maag gevouwen en scheen aan niets anders te denken, dan om de duimen zoo snel mogelijk om elkaar heen te draaien.

Nu zweeg de predikant. Halfvor zag Karin aan, alsof hrj haar om raad wilde vragen. Maar zij zat onbeweeglijk met neergeslagen

OOÖ6D. '

Karin en ik moeten er toch aan denken, dat wij naar een vreemd land reizen," zei Halfvor, „en dat wij en onze broeders moeten leven van dat geld, dat wij voor onze bezittingen krijgen. Wij hebben gehoord, dat alleen de reis naar Jeruzalem ons vijftien duizend kronen kosten zal. En dan moeten we nog een huis huren en eten en kleeren koopen. Ik geloof niet, dat we iets weg kunnen

geVIs1 't niet onbillijk van Karin en Halfvor te verlangen, dat zij de'hoeve voor niets weggeven, alleen om te voorkomen, dat ze aan de vennootschap verkocht wordt?" zei de gemachtigde. „Mij dunkt, dat ze mijn bod moeten aannemen, al was t maar enkel om een eind te maken aan al dat overhalen."

„Ja," bevestigde Karin, ,,'t Is zoo; we moeten ons wel aan t hoogste bod houden,"

Maar de predikant was niet zoo gauw uit het veld geslagen. Zoodra er sprake was van wereldsche zaken, wist hij zijn woorden heel goed te kiezen; nu was hij een ander man, dan wanneer hrj op den preekstoel stond.

„Karin en Halfvor houden toch zeker zooveel van de oude hoeve, dat ze liever verkoopen aan een, die ze goed bestuurt, zelfs al zouden ze een paar duizend kronen minder winst hebben," zei bij. , ,t ,

En vooral met het oog op Karin, begon hij te vertellen van de eene hoeve na de andere, die in verval raakte, nadat ze in handen van een vennootschap gekomen was.

Karin zag een paar maal op, en de predikant vroeg zich af, of 't hem nu eindelijk gelukt was indruk op haar te maken. „Elzal nog wel iets van de oude boerin in haar zijn overgebleven, dacht hij, toen hij vertelde van vervallen kamers en uitstervende veestapels.

Eindelijk besloot hij aldus: „Dit weet ik wel, dat als de vennootschap vast besloten is de Ingmarshoeve te koopen, dan kan ze den prijs zoo hoog opvoeren, dat geen van de boeren er tegen op kan. Maar als nu Karin en Halfvor willen verhinderen, dat

156

Sluiten