Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ingmar zat ineengedoken. Hij zag er uit als iemand, die de

schouders optrekt en het hoofd buigt om een onweer af te wachten, dat over hem zal losbarsten.

Onderwijl dacht hij: „Wat Gertrud nu ook denken mag, ik ben zeker, dat ik goed deed de hoeve te kiezen. Ik zou 't zonder die niet kunnen uithouden. Ik zou van ellende vergaan zijn, als die in andere handen gekomen was."

„Ingmar," zei Gertrud, en ze bloosde op 't zelfde oogenblik zóó dat het stukje van haar wang, dat te zien was, vuurrood werd, „Ingmar, ik denk, dat je je nog wel herinnert, dat ik vijf jaar geleden van plan was me bij de Hellgumianen aan te sluiten; ik had toen mijn hart aan Christus gegeven, maar ik nam het weer terug, en gaf het aan jou. Maar daarin had ik zeker verkeerd gedaan, en daarom is dit alles over mij gekomen. Zooals ik Christus verliet, zoo werd ik verlaten door hem, dien ik liefhad."

Zoodra Ingmar begreep, dat Gertrud hem zeggen wilde, dat ze zich bij de Hellgumianen wilde aansluiten, maakte hij een heftige afwerende beweging. Hij voelde een sterken tegenzin. „Ik kan niet hebben, dat ze zich bij die Jeruzalemmers aansluit," dacht hij, „en naar dat vreemde land trekt." En hij sprak haar even levendig tegen, als hij gedaan zou hebben, toen ze nog zijn verloofde was.

„Dat moet je niet denken, Gertrud. Dit heeft God niet bedoeld als straf over jou."

„Neen, neen, Ingmar, niet als straf, zekér niet, alleen om mij te toonen hoe verkeerd ik den vorigen keer gekozen heb. Ach neen, niet als straf. Ik ben immers zoo gelukkig. Ik mis niets; alle smart is van mij weggenomen. Dit moest je toch begrijpen, Ingmar, toen ik je zei, dat God zelf me heeft uitverkoren en geroepen."

Ingmar zat stil. Zijn gezicht werd strak en hard door voorzichtigheid en berekening. „Je bent heel dom," zei hij tegen zichzelf. „Laat Gertrud toch heengaan. Zee en land tusschen jelui, dat is maar 't beste. Land en zee, land en zee!" Maar dat andere in hem, dat niet wilde, dat Gertrud op reis zou gaan, werd toch sterker dan hijzelf, zoodat hij zei: „Ik kan niet begrijpen, dat je ouders je laten gaan."

„Neen, dat doen ze ook niet," antwoordde Gertrud, „en dat weet ik zoo goed, dat ik het ze niet eens durf te vragen. Vader zou 't nooit goedvinden. Ik geloof haast, dat hij geweld zou gebruiken om 't mij te beletten. Dat is het ergste, dat ik stil van ze wegsluipen moet. Nu meenen zij, dat ik rondloop om mijn band te verkoopen en ze weten nergens van, tot ik mij in Gotaberg bij de Jeruzalemmers heb aangesloten en uitgezeild ben."

Ingrnar werd heel verontwaardigd op Gertrud, omdat ze haar ouders zulk een verdriet wilde doen. „Begrijpt ze wel hoe ver-

167

Sluiten