Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de reizigers midden op de brug waren, begonnen ze een van Sankey's liederen te zingen.

„Wij zien elkaar weer," zongen ze, „wij zien elkaar weer, wij zien elkaar weer in Eden."

Op de brug was geen mensch, die hen hooren kon. 't Waren de blauwe bergen van hun geboortegrond, het grijze water van de beek en de ruischende boomen, die ze toezongen.

Ze zouden dat alles nooit wederzien, en uit de kelen, door smart samengesnoerd, klonk het afscheidslied.

„Mooi geboorteland met uw vriendelijke roode en witte hoeven, met uw heggen en weiden, met uw goede akkers, met uw lange dalen, door slingerende beekjes gescheiden, hoor ons. Laat ons God bidden, dat wij elkaar weerzien. Dat we u in den hemel weer zullen bezitten."

Toen de lange rij karren en vrachtwagens over de brug gekomen was, trokken zij voorbij het kerkhof.

Op het kerkhof zelf lag een grauw steenen zerk, die geheel door ouderdom verteerd was. Die droeg geen jaartal of naam, maar men wist van ouds, dat een boer uit het geslacht der Ljungs daar begraven lag.

Toen eens Ljung Björn Olofson, die nu naar Jeruzalem reisde, en zijn broer Per kinderen waren, hadden zij daar op dien steen samen zitten praten. In 't begin waren ze goede maatjes geweest, maar eindelijk waren ze aan 't kibbelen geraakt en hadden levendig en hard gepraat.

Waar ze om twistten, waren ze vergeten, maar wat ze nooit vergaten, was, dat toen ze op 't ergst aan 't kibbelen waren, ze een duidelijk en langzaam kloppen hadden gehoord tegen den steen, waar ze op zaten.

Ze hadden een oogenblik gezwegen. Ze hadden elkaar bij de hand genomen en waren weggeslopen, en ze konden dien steen later nooit zien, zonder er aan te denken.

Toen nu Ljung Björn voorbij het kerkhof kwam, zag hij zijn broer Per zitten op dien steen met 't hoofd in de handen geleund.

Ljung Björn hield zijn paard in, en gaf den anderen een wenk, dat ze moesten stilhouden en op hem wachten. Hij sprong uit den wagen, klauterde over den muur van 't kerkhof, en ging op den steen naast zijn broeder zitten.

Per Olofson zei toen dadelijk: „Je hebt de hoeve verkocht, Björn."

„Ja," antwoordde Björn, „ik heb al 't mijne aan God gegeven." „Ja, maar dit was niet van jou!" zei zijn broer zacht.

Jeruzalem. 12

177

Sluiten