Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gabriël Mattson zag zijn vader van den weg af onder 't voorbijrijden. Hök Matts was buiten in den tuin en groef steenen op, en legde ze op een steenen wal. Hij zag niet op, maar sjouwde met zijn steenen, en sommigen waren zoo zwaar, dat Gabriël meende dat zijn rug breken zou. Dan slingerde hij ze neer op den steenen wal met zulk een vaart, dat de vonken er uitsprongen en de losse kanten afbrokkelden.

Gabriël moest een vrachtwagen mennen, maar 't paard moest een heele poos zich zelf redden, want Gabriël liep naar zijn vader te kijken.

De oude Hök Matts werkte en zwoegde. Hij sloofde even hard, als toen zijn zoon klein was en hij nog werkte om zijn bezittingen te vergrooten. De smart greep hem fel aan, maar Hök Matts groef al zwaarder en zwaarder steenen op en droeg die naar den steenen wal.

Een poos nadat de optocht voorbij was, barstte een zwaar onweer los, en er viel een sterke regen. Alle menschen haastten zich naar binnen, en Hök Matts was ook van plan ergens te schuilen, maar hij bedacht zich en bleef buiten. Hij durfde niet met werken op te houden.

Tegen den middag kwam zijn dochter buiten, en riep hem om te komen eten.

Hök Matts had nu wel juist geen honger, maar hij dacht toch, dat hij wel wat eten noodig had, maar hij ging niet naar binnen; — hij durfde niet met werken op te houden.

Zijn vrouw had Gabriël naar het station gebracht. Laat in den avond kwam ze alleen naar huis rijden. Ze ging naar den tuin om met haar man te spreken over haar zoon, die nu weg was, maar hij groef en spitte en sleepte, en liep heen en weer bij zijn werk. Hij wilde niet stilstaan om naar haar te luisteren.

De buren hadden gezien hoe Hök Matts den heelen dag werkte. Ze kwamen buiten en keken naar hem: ze bleven een poos staan, en gingen dan naar binnen en vertelden: „Hij is daar nog, hij werkt den heelen dag aan één stuk door."

De avond kwam, maar 't bleef licht, en Hök Matts ging door met het werk. 't Kwam hem voor, dat als hij met werken ophield, zoolang hij nog een stap doen kon, de smart hem te machtig zou worden.

Zijn vrouw kwam weer en zag naar hem. De grond in den tuin was omgespit, de steenen wal was veel grooter geworden; maar aldoor liep de man heen en weer, en sleepte met steenen, die voor een reus geschikt zouden zijn om te dragen. Deze en gene van de buren liep voorbij om te zien of Hök Matts nog werkte, maar niemand waagde 't hem aan te spreken.

Toen kwam de duisternis, zoodat men hem niet meer zien kon.

182

Sluiten