Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee, een groote en een kleintje. Ze gingen denzelfden weg dien ze gekomen waren, over 't zand en de stoppelvelden en de beek, het donkere bosch in.

Wat later dacht een van de vrouwen aan de kinderen. Ze maakte een van de manden met proviand open en wilde ze eten geven.

Zij riep, maar niemand antwoordde. Ze waren weg, en een paar mannen gingen ze zoeken. Zij volgden het spoor, dat al die kleine voeten in 't zand hadden achtergelaten, en toen zij een eind het bosch in waren, kregen zij de kinderen in 't oog.

Ze liepen in een lange rij, twee aan twee, een groote en een kleine. Toen de mannen hen riepen, bleven zij niet staan, maar liepen voort.

Toen moesten de mannen hard loopen om ze in te halen.

De kinderen probeerden weg te komen, maar de kleintjes konden niet meekomen en vielen.

Toen bleven de andere op de weg staan, beschreid en bedroefd.

„Maar kinders, waar ga jelui naar toe?" vroeg een van de mannen. ;

Toen begonnen de kleinste kinderen luid te schreien, terwijl de oudste jongen antwoordde:

„Wij willen niet naar Jeruzalem reizen, we willen naar huis."

Ën nog lang nadat de kinderen naar het station waren teruggebracht en in de wagens zaten, bleven ze schreien en riepen:

„We willen niet naar Jeruzalem! We willen naar huis!"

184

Sluiten