Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonderbaren boom. Die zaden legde Seth in den grond op Adams graf, en daaruit waren drie stammen opgegroeid en hadden zich tot één stam verbonden.

„Dezen boom," zei de koningin, „hebben de houthakkers van Hiram voor u geveld, o koning, en in uw paleis getimmerd. Maar, daar is gezegd, dat op dien boom eenmaal een mensch sterven zal, en als dat geschied is, zal Jeruzalem vallen en alle geslachten van Israël zullen verstrooid worden."

Opdat zulk een booze voorspelling niet vervuld zou worden, raadde zij den koning den boom te vernietigen. En Salomo liet hem uit den muur nemen en beval, dat hij in den vijver van Bethseda geworpen zou worden."

Na die lange rede volgde stilte. Mrs. Gordon meende reeds dat er niets meer te hooren zou zijn.

Eindelijk begon de stem van de klok weer: „Ik denk aan slechte tijden terug. Ik herinner me hoe de tempel verwoest werd, en het volk weggevoerd in ballingschap. Waar was toen uw eer en glans o rots?" —

Eerst na een poos kwam het antwoord van den rots: „Ben ik dan almachtig? Maar al ben ik gevallen, ik heb mij weer opgeheven. Herinnert ge u den glans, die mij bestraalde in den tijd van Herodes? Herinnert ge u de drie voorhoven, die den tempel omgaven, herinnert ge u het vuur op het brandofferaltaar, dat des nachts oplaaide met hooge vlammen, zoodat het de geheele stad verlichtte? Herinnert ge u de portiek van Herodes, de schoone! die hij liet rusten op meer dan honderd zuilen van porfier? Herinnert ge u den wierookgeur in den tempel, die met westenwind overwoei tot Jericho toe? Herinnert ge u het gedreun als de koperen poorten opengingen? Weet ge nog hoe het babylonische voorhangsel voor het heilige der heiligen was doorweven met rozen, stijf van goud?"

Kort en scherp klonk het uit de kerk:

„Dat alles weet ik, maar ik weet ook, dat Herodes in dien tijd het meer van Bethseda liet schoonmaken. Ik weet, dat zijn arbeiders op den bodem den boom des levens vonden, die in den muur van Salomo's paleis gestaan had, en dat zij den dikken stam op den oever van het meer wierpen."

„Herinnert ge u nog," ging de stem uit de rots voort met fier gejubel, „herinnert ge u de lichtende stad, waar Juda's vorsten en zijn volk woonden in Sion, en waar Romeinen en vreemden in de bergengte van Bezeta woonden? Herinnert ge u den berg Marianne, en den berg Antonia? Herinnert ge u de sterke poorten? En den met torens gekroonden ringmuur?"

„Ik herinner mij dat alles," klonk het uit de kerk, „maar ik herinner me ook, dat in dienzelfden tijd de raadsheer Jozef van

196

Sluiten