Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KRUISDRAGER.

Zoolang de Gordon-kolonie in Jeruzalem geweest was, en dat was vele jaren lang, had zich eiken dag op de straten van de heilige stad een man vertoond, die een zwaar, lomp, houten kruis voortsleepte. Hij sprak tegen niemand en niemand sprak tegen hem. Niemand wist of die man krankzinnig was en zich verbeeldde Christus te zijn, dan of hij maar een arme pelgrim was, die boete deed.

De arme kruisdrager sliep 's nachts in een grot op den Olijfberg. Eiken morgen, als de zon opging, kwam hij naar buiten op den berg en zag neer op Jeruzalem, dat op een wat lageren heuvel vlak over hem lag. Hij was gewend de stad te overzien als iemand, die zoekt, en zijn oogen scherp vorschend van huis tot huis, van den eenen koepel naar den anderen te laten gaan, alsof hij verwacht had, dat een of andere groote verandering zou hebben plaats gehad. Eindelijk, als hij meende te zien, dat alles nog hetzelfde was, zuchtte hij diep, ging in de grot, nam het groote kruis op zijn schouder, en zette op zijn hoofd een krans, uit scherpe dorens gewonden.

Dan begon hij den berg af te gaan, en sleepte zijn zwaren last voort tusschen wijngaarden en olijventuinen, tot hij den hoogen muur bereikte, die den tuin van Getsemané omgaf. Daar bleef hij dan staan voor een lage deur, legde zijn kruis op den grond, en 'ging tegen den deurpost staan als om te wachten. Telkens boog hij zich en bracht zijn oog bij 't sleutelgat om in den tuin te zien. Als hij dan een van de Franciskaner-monniken, die Getsemané onderhielden, tusschen de olijfboomen en de mirtenhagen heen en weer zag loopen, kwam er een gespannen uitdrukking op zijn gezicht, en hij glimlachte als in blijde hoop. Maar onmiddellijk daarna schudde hij 't hoofd, hij scheen dan te begrijpen, dat hij, dien hij verwachtte niet zou komen. Hij nam het kruis weer op en ging verder.

Dan nam hij gewoonlijk den weg buiten de lagere terrassen om

212

Sluiten