Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MUREN VAN GOUD EN POORTEN VAN GEBRAND GLAS.

Onder de reizigers naar Jeruzalem bevond zich een smid, die Birger Larsson heette. Hij had zich voortdurend op de reis verheugd. Niemand had zoo gemakkelijk van zijn huis afscheid genomen als hij, en niemand had er zich zooveel van voorgesteld, de heerlijkheid van Jeruzalem te zien.

Maar Birger werd ziek, bijna op 't zelfde oogenblik, dat hij in Jaffa aan land stapte. Hij moest een paar uren aan 't heete, zonnige station zitten en werd al erger en erger. Toen hij in een van de gloeiend heete coupé's kwam, begon zijn hoofd te kloppen, alsof het springen zou. En toen hij in Jeruzalem kwam, was het zoo slecht met hem gesteld, dat Tims Halfvor en Ljung Björn hem onder de armen moesten steunen en hem bijna naar 't perron dragen.

Bo had uit Jaffa getelegrapheerd om den kolonisten de aankomst van de Dalecarliërs te berichten. Verscheidene Zweedsche Amerikanen waren aan den trein om vrienden en verwanten te begroeten. Birger had zulk een hooge koorts, dat hij de oude landgenooten niet herkende, hoewel een paar van hen vroeger buren van hem waren geweest. Hij begreep toch, dat hij nu in Jeruzalem gekomen was, en hij dacht aan niets anders dan zich op de been te houden, tot hij de heilige stad zou zien.

Van 't station, dat vrij ver buiten Jeruzalem ligt, kon Birger niets van de stad onderscheiden. Zoolang hij daar blijven moest, lag hij stil, met gesloten oogen. Maar eindelijk hadden allen plaats in de wachtende wagens gevonden. Zij reden neer in 't dal van Hinnom, en op de kruin van den bergrug, tegenover hen, lag Jeruzalem.

Birger hief de zware oogleden op, en zag een stad, omgeven door een hoogen muur, die met tuinen en torens versierd was. Achter den muur hieven zich groote, gewelfde gebouwen hoog op tegen de lucht, en een paar palmen wuifden in den bergwind.

217

Sluiten