Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zetten den tocht voort, zonder dat een hoef of rad de gevallene aangeraakt had.

Gertrud meende al, dat het gevaar voorbij was. 't Russische meisje bleef onbeweeglijk op 't veld liggen, maar dat was zeker, omdat ze flauw gevallen was van schrik.

De menschen schoten van alle kanten toe om het meisje te helpen. Gertrud was de eerste, die haar bereikte. Ze boog zich neer, om haar te helpen. Toen zag ze, dat bloed onder haar hoofd in 't gras liep, en dat haar gezicht, dat naar boven gekeerd lag, op een vreemde manier verstijfde.

„Ze is dood," dacht Gertrud, „en ik heb haar in den dood gedreven.

Op 't zelfde oogenblik greep een man Gertrud ongeduldig om 't middel en wierp haar op zij. Hij riep haar een paar wooren toe, die zooals ze wel begreep, beduiden moesten, dat een verworpeling als zij niet waard was de jonge, vrome pelgrim aan te raken. Onmiddellijk werd 't zelfde woord om haar heen herhaald. Men hief dreigend de handen tot haar op, drong en stootte haar, tot ze zich buiten de dichte schare bevond, die zich om de gekwetste samentrok.

Een oogenblik werd Gertrud zóó boos om die behandeling, dat ze de vuisten balde. Zij wilde zich verdedigen. Zij wilde weer bij 't Russische meisje komen, ze moest immers weten, of ze werkelijk dood was.

„Niet ik ben onwaardig om bij haar te komen, maar jelui allemaal!" riep ze luid in 't Zweedsch. „Jelui hebt haar gedood, 't Is die ellendige laster, die haar in den dood heeft gejaagd."

Niemand begreep haar, en Gertruds boosheid maakte spoedig plaats voor grooten angst: als nu een van allen gezien had, hoe alles gegaan was, en dat nu aan de pelgrims vertelde. Dan zouden al deze menschen zonder erbarmen op haar aanvallen en haar doodslaan.

Zij vluchtte haastig weg, liep zoo hard ze maar kon, hoewel niemand haar vervolgde. Zij bleef niet staan, eer ze de kale velden aan de noordzij van Jeruzalem bereikt had.

Hier stond ze stil, streek zich over het voorhoofd en drukte de gevouwen handen hard tegen den schedel.

„O God, o God," riep ze uit, „Ben ik nu een moordenares? Heb ik nu schuld aan den dood van een martelares?"

Op 't zelfde oogenblik wendde zij zich naar de stad wier hooge, sombere muren zich dicht achter haar verhieven. „Niet ik — maar gij!" riep ze. „Niet ik, maar gij!" —

Zij keerde zich met een rilling af van de stad, en wilde naar de kolonie gaan, waarvan ze 't dak in de verte zag. Maar telkens bleef ze staan, en probeerde wat orde te brengen in de gedachten.

235

Sluiten