Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor zijn toestemming gegeven had, want iedereen had zeker gedacht, dat Baram Pacha er nooit meer een mensch zou binnenlaten.

Maar toen nu tegen den herfst die vreeselijke beschuldiging was opgekomen, overlegden verscheidene van de Amerikaansche zendelingen met elkaar, hoe ze hun landslieden zouden kunnen dwingen Jeruzalem te verlaten. En zij besloten naar Baram Pacha te gaan en met hem over zijn huurders te spreken. Zij zeiden hem al 't kwaad, wat ze van hen wisten, en vroegen hem, hoe hij kon toelaten, dat zulke verachtelijke menschen in 't huis woonden, dat hij voor zijn vrouw gebouwd had.

Nu was het tegen acht uur op een mooien Novembermorgen.

De zwarte nacht, die de stad in zijn duisternis gevangen gehouden had, was als gevlucht, en Jeruzalem begon er weer uit te zien zooals eiken dag. Bij de Damascuspoort hadden de bedelaars al een poos geleden hun gewone plaatsen ingenomen, en de straathonden, die den heelen nacht in beweging geweest waren, gingen voor den dag rusten in hun holen en vuilniskisten. Een kleine karavaan had vóór den avond haar legerplaats vlak binnen de poort opgeslagen. Die maakte zich nu gereed om op te breken; de leiders bonden de pakken op de liggende kameelen, die schreeuwden, als ze de zware lasten op hun rug voelden. Buiten op den weg kwamen de landlieden aan, die zich naar de stad haastten, met groote manden met groente. Herders kwamen van de bergen, en wandelden plechtig door 't poortengewelf, gevolgd door groote kudden schapen, die geslacht, en geiten, die gemolken moesten worden.

Juist op het oogenblik, dat de eerste morgendrukte in de poort heerschte, kwam een oud man aanrijden op een mooien, witten ezel. Hij was buitengewoon prachtig-gekleed. Zijn lijfrok was van zachte, gestreepte zij, en daar overheen droeg hij een met bont afgezetten kaftan van lichtblauw satijn, die tot aan de voeten reikte. Zijn tulband en zijn gordel waren met rijk borduursel van goudkleurige zij versierd. Zijn gezicht was zeker eens mooi en eerbiedwaardig geweest. Nu was het door den ouderdom geteisterd; zijn oogen traanden, de mond was ingevallen en de groote, witte baard hing neer in vlokken met geelachtige punten.

Alle menschen, die zich in de poort verdrongen, waien verwonderd en zeiden: „Waarom rijdt Baram Pacha door de Damascuspoort den weg op, dien hij in drie jaar niet heeft willen zien?"

Anderen vroegen: „Gaat Baram Pacha zijn huis bezoeken, dat hij gezworen heeft nooit meer te betreden?"

243

Sluiten