Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dachten en fantasieën hebben kon, als gewoonlijk in haar hersens omgingen.

„Maar 't prettigst was 't, geloof ik, als wij jongens speelden, dat we groote menschen waren en vergadering hielden," ging Bo voort. „Ik herinner me, dat mijn broers en ik, en nog een paar jongens, soms op een hoop planken gingen zitten, die thuis jaren lang op de hoeve lagen. De woordvoerder sloeg met een houten lepel op de planken, en we zaten aandachtig om hem heen, en bepaalden wie van ons ondersteuning van de diaconie hebben moest. Wij zaten met de duimen in de armsgaten van ons vest, en praatten met een grove stem, alsof we de monden vol klei hadden, en we noemden elkaar nooit anders dan: „rechter", „koster", „kerkvoogd" of „burgemeester."

Bo hield op en wreef zich 't voorhoofd, alsof 't er nu op aankwam te zeggen wat hij bedoelde. Gertrud had geheel met plukken opgehouden. Ze zat op 't veldpad, had haar hoofddoek achteruit geschoven en zag nu naar Bo op, alsof ze verwachtte wat nieuws en bizonders te hooren.

„Het is wel mogelijk," zei Bo, „dat, zooals 't goed is voor kinderen te spelen, dat ze groot zijn, 't zoo ook voor groote menschen goed kan zijn, als kinderen te worden. Als ik die oude mannen daar zie, die gewend zijn jaren lang in 't woeste bosch te werken, en met houthakken en brandhout rijden, te sloven, en nu hier een kinderwerkje doen als bloemen plukken, dan denk ik, dat we op weg zijn te doen wat Jezus zegt: ons te bekeeren, en als kinderen te worden."

Bo zag, dat Gertruds oogen straalden. Ze begreep nu wat hij wilde zeggen en verheugde zich daarin. „Ik geloof, dat we allen als de kinderen geworden zijn, sinds we hier heen kwamen," zei ze.

„Ja," zei Bo, „we zijn ten minste daarin al kinderen geweest, dat we allerlei onderwijs hebben moeten aannemen. We hebben moeten leeren, hoe we vork en mes moesten houden, en eten lekker vinden, dat we nooit geproefd hadden. En 't was mooi kinderachtig, dat we in 't begin niet alleen uit konden gaan, maar iemand mee moesten hebben, opdat we niet verdwalen zouden; en dat we gewaarschuwd moesten worden voor menschen, die gevaarlijk waren en plaatsen, waar we niet komen mochten."

„Wij, die uit Zweden kwamen, waren echte kinderen. We moesten allereerst leeren praten," zei Gertrud. „We moesten vragen naar de namen van stoel en tafel, van kast en bed. En we zullen nog wel op de schoolbanken komen, om de nieuwe taal te leeren lezen en schrijven."

Zij werden nu levendig en zochten vlijtig naar meer punten van overeenkomst.

„Ik heb weer de planten en boomen op 't veld leeren kennen

254

Sluiten