Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op dezelfde manier, waarop Moeder me die leerde, toen ik nog klein was," zei Bo. „Ik heb perziken van abrikozen leeren onderscheiden en den knoestigen vijgeboom van den gewrongen olijfboom. Ik heb den Turk leeren herkennen aan het korte pak, den Bedouïen aan zijn mantel met een rand afgezet, en den derwisch aan zijn vilten muts, en den Jood aan zijn krulletjes bij 't oor."

„Ja," zei Gertrud, „precies zoo leerden wij de boeren van Floda en die van Gagnef onderscheiden aan hun verschillende jassen en hoeden."

,,'t Kinderachtigste is wel, dat we de anderen heelemaal voor ons laten zorgen," zei Bo, „en dat we geen eigen geld hebben, maar eiken cent moeten vragen. Telkens als een vruchtenhandelaar me een sinaasappel of een tros druiven aanbiedt, heb ik 't zelfde gevoel, als toen ik als kind voorbij de suikergoedstalletjes op de markt moest gaan, omdat ik geen cent op zak had."

„Ik geloof zeker, dat we heelemaal veranderd zijn," zei Gertrud. „Als we nu weer in Zweden terugkwamen, zouden de menschen thuis ons niet herkennen."

„Wij kunnen wel niet anders denken, dan dat we weer kinderen zijn geworden, als we hier loopen te spitten op een aard-" appelland, dat niet grooter is dan de vloer van een schuur," zei Bo levendig, „en als we later ploegen met een ploeg, die van een boomtak gemaakt is; als we een ezeltje als paard gebruiken, en als we geen flinken akker te bebouwen hebben, maar enkel zoo'n beetje wijnbouw drijven."

Bo sloot de oogen om beter te kunnen denken. Gertrud zag opeens, dat hij wonderlijk veel op Ingmar Ingmarsen ging lijken. Zijn heele gezicht was enkel verstand en bedachtzaamheid.

„Zie, dat is niet het voornaamste," zei hij een poos later. „Het voornaamste is, dat we kinderlijke gedachten over de menschen gekregen hebben, dat we gaan gelooven, dat ze 't allen goed met ons meenen, al zijn ook sommigen streng tegen ons."

„Ja, dat is wel zoo, dat Christus 't meest aan de gesteldheid van onze ziel dacht, toen Hij die woorden sprak," zei Gertrud.

„Maar die is ook veranderd," zei Bo, „dat is zeker. Heb je niet gemerkt, dat, als we nu groote zorgen hebben, wij daar niet dagen en weken over denken, maar ze in een paar uur vergeten."

Juist toen Bo dat zei, riep men hem toe te komen eten. Bo werd ontstemd. Hij had wel den heelen dag daar naast Gertrud kunnen loopen en met haar praten, zonder honger te krijgen.

In elk geval voelde hij dien dag zulk een rust en vrede, dat hij dacht: „Dat is zeker, de kolonisten hebben gelijk; de menschen behoeven enkel in vrede en eensgezindheid te leven, zooals wij doen, om gelukkig te zijn. Ik ben nu volkomen tevreden met alles, zooals 't is. Ik begeer Gertrud niet meer als mijn vrouw in mijn

255

Sluiten