Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis te brengen. Ik voel niet meer dat pijnlijk verlangen der liefde, dat me vroeger zoo kwelde. Ik ben volkomen gelukkig, als ik haar maar eiken dag even zien mag, en haar helpen en beschermen."

Hij had dat Gertrud willen zeggen, dat hij heelemaal veranderd was en als een kind ook hierin voelde; maar hij was verlegen, en kon de rechte woorden niet vinden.

Bo liep er den heelen terugweg over te denken. Hij vond, dat het noodig was Gertrud met een enkel woord te zeggen, hoe veranderd hij was, opdat ze zich veilig bij hem zou voelen en op hem vertrouwen als op een broer.

Ze kwamen juist thuis toen de zon onderging. Bo ging zitten onder een ouden sycomoor, die buiten dicht bij de huisdeur stond. Hij wilde zoolang mogelijk buiten blijven. Toen allen naar binnen waren, kwam Gertrud vragen, waarom hij niet binnenkwam.

„Ik zit hier te denken aan waar we vandaag over spraken," zei Bo. „Ik denk er over hoe 't zijn zou als Christus daar op den weg aankwam, zooals Hij zeker dikwijls in Zijn leven gedaan heeft, en hier onder den boom kwam zitten en tegen me zei: „Als gij u niet bekeert en wordt als de kinderkens, kunt ge niet in Gods rijk ingaan."

Bo zat droomerig te praten, alsof hij hardop dacht. Gertrud stond stil te luisteren.

„Dan zou ik Hem antwoorden en zeggen," ging Bo voort: „Heer, wij helpen elkaar zonder er belooning voor te begeeren, heelemaal als kinderen doen, en als we boos op elkaar worden, dan is dat geen haat voor 't leven, maar wij verzoenen ons weer eer de dag voorbij is. Ziet ge niet, Heer, dat we geheel als kinderen zijn?"

„Wat meen je dan, dat Christus antwoordt?" vroeg Gertrud met zachte stem.

„Hij antwoordt niet," zei Bo. „Hij zit daar enkel heel stil, en zegt nog eens : „Ge moet als kinderen zijn, als ge wilt ingaan in mijn rijk."

En ik zeg Hem weer bijna als vroeger: „Heer, wij hebben alle menschen lief, zooals kinderen doen. Wij maken geen onderscheid tusschen Jood en Armeniër, tusschen Bedouïen of Turk, tusschen blanken en zwarten. Wij hebben den geleerde en den eenvoudige lief, armen en rijken, en deelen wat we hebben met Christenen en Mohammedanen. Is 't dan niet waar, Heer, dat we als kinderen zijn en in Uw rijk kunnen ingaan?"

„Wat antwoordt Christus dan?" vroeg Gertrud nog eens.

„Hij antwoordt niet," zei Bo. „Hij blijft aldoor onder den boom zitten en zegt heel zacht: „Als ge niet als kinderen wordt, kunt

256

Sluiten