Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, die recht hebben in hun eigen graf te liggen tot den jongsten dag. Hier werd geen behoorlijk grafmaal voor baar gehouden, en ze kwam niet op 't kerkhof onder klokgelui, en er was geen behoorlijke geestelijke, die sprak bij haar graf. Maar daarom heb jrj nog 't recht niet haar uit het graf te halen. Al was ik ook geen goed vader voor haar in dit opzicht, dan kun je toch wel begrijpen, dat ik niet zoo'n ellendeling ben, dat ik kan dulden, dat je haar uit het graf haalt."

Halfvor hief den steen op, en zou hem zeker naar den man geworpen hebben, als deze niet juist op dat oogenblik was blijven staan en zich naar hem gekeerd had.

„Hier is 't," zei hij.

Tusschen puin en afvalhoopen lag een diepe groeve, en daar waren de eenvoudige zwarte kisten van de kolonisten in geworpen. Ze waren er zonder eenige voorzorg in gegooid. Oude kisten waren stuk gegaan, zoodat de dooden, die er in lagen, zichtbaar werden. Sommige kisten waren ondersteboven gevallen, en uit de vermolmde deksels staken lange, verdroogde handen, die moeite schenen te doen om de kist weer recht te zetten. Terwijl Halfvor daar naar beneden stond te kijken, zag de arbeider toevallig zijn hand, die zóó stijf den steen vasthield, dat de vingertoppen heelemaal wit waren. De man zag op naar zijn gezicht en moet daar iets vreeselijks in gezien hebben. Hij gaf een schreeuw en liep weg.

Maar Halfvor dacht nu niet meer aan hem. Hij was geheel verslagen door wat hij zag. 't Vreeslijkst was, dat de sterke lijklucht was opgestegen tot hoog in de lucht, en overal verkondigd had, wat er gebeurd was. Een paar gieren zeilden in de wolken heen en weer, en wachtten maar op de duisternis om op hun prooi neer te schieten. Van verre hoorde men 't gonzen van een menigte klein zwart en geel gedierte, dat boven de kisten rondzwermde. Een paar straathonden kwamen aandraven, gingen met ver uithangende tongen aan den rand van den kuil zitten, en keken naar beneden.

Halfvor herinnerde zich met een rilling, dat hij aan de helling van Hinnoms dal was, vlak bij de plaats waar vroeger Gehenna's vuur brandde.

„Ja, dit is Gehenna, de woning der ontzetting," barstte hij uit.

Maar Halfvor stond daar niet lang te kijken. Hij sprong in den kuil, verzette de zware kisten, en kroop rond tusschen de dooden. Hij zocht en zocht, tot hij de kist van kleine Greta vond. En toen hij die gevonden had, nam hij ze op de schouders, en klom uit den kuil

„Zij zal tenminste niet zeggen, dat haar vader haar hier den nacht over heeft laten liggen," riep hij uit. „Kindje," zei hij ernstig en met overtuiging, alsof hij zich tegenover de doode wilde

262

Sluiten