Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en afgekoeld, meenden ze, dat het duf rook en een akeligen smaak had. Een paar zieken, die geprobeerd hadden het te drinken, werden zeer onwel en klaagden er over, dat ze vergiftigd waren.

Op een morgen, dat de ziekte op 't ergst was, zaten eenige van de boeren in de smalle schaduw van 't huis te praten Zij hadden allen koorts, dat was te zien aan hun uitgeteerde gezichten, en aan hun oogen, die mat en met bloed beloopen waren. Geen yan hen werkte, zij rookten niet eens uit hun kleine, witte pijpjes.

Hun eigenlijke bezigheid was naar den hemel op te zien, die zich klaar en blauw boven hun hoofd welfde. Zij hielden nauwkeurig wacht, en zelfs de kleinste wolk, die aan den horizont opsteeg, ontging hun niet. Zij wisten heel goed, dat er geen regen te wachten was voor over een paar maanden, maar zoo gauw een van de witte zomerwolkjes oprees aan den horizont, verbeeldden zij zich, dat er een wonder gebeuren kon, en dat het gauw zou beginnen te regenen. „Wie weet, of God ons nu niet eindelijk helpen wil?" zeiden zij.

Terwijl ze met de grootste waakzaamheid den groei van de wolk volgden, en haar reis langs den hemel, begonnen zij er samen over te praten hoe het wel zijn zou, de groote droppels te hooren tikken tegen muren en vensters, het water uit de goten te zien stroomen en langs den weg loopen, zand en steentjes meesleepend. Zij kwamen overeen, dat zij niet naar binnen zouden gaan, als het begon te regenen; zij zouden stil blijven zitten en 't water op zich neer laten stroomen. Zij hadden er behoefte aan van water doortrokken te worden, zoo goed als 't uitgedroogde veld.

Maar als de wolk een eindje naar boven gekomen was, konden ze niet anders dan opmerken, dat die verminderde en als 't ware wegsmolt. Eerst werden de donzige kantjes verteerd, dan begon 't vernietigingswerk van binnen uit en zij viel uiteen in dunne reepjes en vlokjes. En een oogenblik later was zij verdwenen.

Toen de boeren niets meer zagen, werden ze heelemaal wanhopend. De oude mannen waren zoo krachteloos door de ziekte, dat zij de handen over de oogen legden, om te verbergen, dat zij schreiden.

Ljung Björn Olofsson, die zich den leider der Zweden voelde na Tims Halfvors dood, trachtte toen de anderen op te monteren. Hij begon te spreken over de Beek Kidron, die vroeger door 't dal van Josafat vloeide, en Jeruzalem overvloedig van water voorzag. Hij had zijn bijbel in den zak en las hun alle plaatsen voor, waarin de beek Kidron genoemd werd. Hij beschreef hun wat een groote geweldige stroom Kidron geweest was; die had molens gedreven, en 's winters was hij nu en dan zóó machtig geweest, dat hij buiten zijn oevers getreden was en 't landschap had overstroomd.

266

Sluiten