Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En als ik goed en wel daar gekomen ben, zie ik dadelijk den put links tusschen een heel bosch van pilaren. Daar staat een rad met een touw en een haak, en 't is geen kunst de emmers neer te laten en die vol te krijgen. En ik zal je zeggen, dat 't heel frisch en schitterend water is, dat ik uit den put haal. En ik denk, terwijl ik de emmers vul: als Gertrud dit water ziet en proeft, wordt ze stellig weer gauw beter."

„Ja, als. je er nu maar gauw mee thuis kunt komen," zei Gertrud.

„Ik moet je zeggen," antwoordde Bo, „dat ik nu niet zoo rustig ben, als toen ik kwam. Nu ik 't water heb, ben ik bang het te verliezen. En als ik naar de poort ga, word ik nog banger, want ik meen roepen en schreeuwen te hooren."

„Ach, wat kan er nu toch te doen zijn?" vroeg Gertrud en Bo zag, dat ze bleek werd van schrik.

Maar Bo's fantazie kreeg juist meer vaart, toen hij zag hoe Gertrud in zijn verhaal meeleefde, en hij barstte uit: „Wat er te doen is? Ja, dat zal ik je zeggen. Heel Jeruzalem komt me tegemoet."

Hij haalde 'n oogenblik diep adem, als om z'n verbazing en schrik uit te drukken. „Ja, zij zijn allen opgestaan, zij, die op de steenen lagen te rusten buiten El Aksa, en ze schreeuwen. En hun geroep doet menschen toestroomen van alle kanten. Van Omar's moskee komt de hoogste tempelbeambte aanrennen met een grooten tulband en een pels van vossenvel, en van de ingangen komen kinderen, en uit alle hoeken van de tempelplaats komen luiaards, die er hebben liggen slapen. En zij zien niet anders dan gebalde vuisten en schreeuwende monden en hoog opgeheven armen. En 't is een gewarrel voor mijn oogen van bruingestreepte mantels en wapperende kleeren, en roode gordels en gele muilen, die op 't veld stampen."

Bo wierp een blik op Gertrud, toen hij dat vertelde. Ze deed hem geen vragen, maar ze luisterde met gespannen aandacht, en in haar angst was ze wat in bed op gaan zitten.

„Ik begrijp geen woord van wat ze me toeroepen," ging Bo voort, „maar ik begrijp natuurlijk, dat ze boos zijn, dat een Christen water uit den Paradijsput haalde."

Gertrud zonk heel bleek op 't kussen terug.

„Ja, ik kan me wel begrijpen, dat je niet met dat water thuis kunt komen," zei ze bijna toonloos.

„Neen, dat is nog niet zoo makkelijk," dacht hij. Maar toen hij haar angst zag, werd hij opnieuw bewogen. „Ik geloof zeker, dat ik 't zoo zal inrichten, dat het Paradijswater in elk geval bij Gertrud komt," dacht hij.

„Nemen ze je 't water niet af?" vroeg Gertrud.

281

Sluiten