Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ooit. Een zwakke glimlach vloog over Mrs. Gordons gezicht.

Ze antwoordde Karin, dat ze niet graag iemand uit de kolonie verdrijven zou, allerminst iemand, die van zoo ver kwam en zooVeel familie had onder de kolonisten. Als nu God Gertrud een beproeving zond, zei ze, dan moesten zij zich wel wachten haar die niet te laten doormaken.

Karin was verwonderd over haar antwoord. In haar ijver kwam ze dicht bij Mrs. Gordon en kon opeens zien wie 't was, die deze zag, en waar ze over glimlachte. Maar Karin, op haar beurt, zag alleen hoe Ingmar op haar vader ging lijken, en hoe boos ze ook op hem was, ergerde het haar toch, dat Mrs. Gordon niet begreep, dat iemand, die er zoo uitzag, een man was, die boven alle anderen stond, en wijzer was dan andere menschen.

„Nu ja," zei ze, „u kunt hem ook wel laten blijven, want hij zal toch wel maken, dat alles gaat, zooals hij wil."

Op den avond van dien dag waren de meeste kolonisten in de groote zaal bijeen. Daar hadden ze 't heel genoeglijk en prettig. Sommigen zaten naar de kinderen te kijken, die samen speelden, anderen spraken er over wat er dien dag gebeurd was, weer anderen gingen in een hoek zitten, en lazen Amerikaansche couranten voor. Toen Ingmar Ingmarsen de groote, goed verlichte kamer zag, met al die tevreden, vergenoegde menschen, dacht hij: „Dit is zeker, dat de boeren uit Dalecarlië hier gelukkig zijn, en niet naar huis verlangen. Die Amerikanen hier hebben veel beter slag 't zich gezellig te maken dan wij. Ik begrijp, dat het door dit gezellig huiselijke leven is, dat de kolonisten alle zorgen en ontberingen kunnen dragen, 't Is waar, dat zij, die vroeger een heele hoeve bezaten, nu met èen kamer tevreden moeten zijn, maar daarentegen hebben ze nu ook veel meer genot en vroolijkheid dan vroeger. En dan hebben ze ongelooflijk veel gezien en geleerd. Over de volwassenen wil ik nu niet eens spreken, maar 't komt me voor, alsof hier geen kind is, al is 't nog zoo klein, dat niet veel meer weet dan ik."

Verscheidene boeren kwamen naar Ingmar toe en vroegen hem, of hij niet vond, dat zij 't goed hadden.

„Ja," zei Ingmar, „ik kan niet anders zeggen,"

„Je meende zeker, dat we in gaten in den grond woonden," zei Ljung Björn.

„Ach neen, ik wist wel, dat 't niet zoo erg was," antwoordde Ingmar.

„Wij hebben gehoord, dat zulke praatjes thuis verteld werden." Dien avond werd Ingmar door velen uitgehoord hoe 't thuis

292

Sluiten