Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een paar stappen nader om betér te hooren.

„Hij was een van die menschen, die paarden verruilen," vertelde Fait. „Hij reisde alle markten af, om paarden te ruilen en behandelde de dieren heel slecht. Hij haalde ook heel wat schelmstukken met hen uit. Hij schilderde b.v. witte blessen op de koppen van paarden, die men wist, dat den kolder hadden, zoodat ze niet herkend konden worden; en soms gaf hij ouden mageren knollen zóóveel te eten, dat ze er vet en glanzend uitzagen, net zoolang als noodig was om ze te kunnen ruilen, 't Ergste behandelde hij zijn paarden, als hij een proefrit met ze deed. Dan kwam een soort van waanzin over hem. Hij sloeg en striemde de dieren, dat het vel hun van den rug scheurde en 't bloedige vleesch bij eiken slag te voorschijn kwam. Op een keer was die man een heelen dag op de markt geweest, zonder zaken te kunnen doen. Gedeeltelijk kwam dat, doordat de menschen zoo dikwijls door hem bedrogen waren, dat ze liefst niet met hem te maken wilden hebben, en gedeeltelijk doordat het paard, dat hij dien dag ruilen wou, zoo'n oude stumper was, dat niemand het hebben wou. Hij dreef den armen ouden knol in woesten galop heen en weer door de menigte, en sloeg hem, zoodat het bloed hem langs de schonken droop, maar hoe meer hij 't dier vertoonde, hoe minder de menschen lust hadden met hem te handelen.

Tegen den avond begon hij te begrijpen, dat hij dien dag geen zaken zou doen. Eer hij naar huis ging wilde hij toch nog een laatste poging wagen, en joeg zijn paard met zulk een ontzettende vaart over de markt, dat de menschen bang waren, dat het vallen zou. Midden in zijn dolle vaart kreeg hij een man in het oog, die een mooi, jong, zwart paard reed, en even gauw voortkwam als hij, zonder dat dit snelle rijden 't dier de minste inspanning scheen te kosten.

Nauwelijks was de paardenhandelaar uit zijn wagen gestapt, of hij, die 't goede paard had, kwam naar hem toe. Hij was klein en slank, had een smal gezicht en een spitsen baard aan de kin. Hij was geheel in 't zwart gekleed, en de paardenhandelaar kon noch aan de stof, noch aan den snit van zijn kleeren raden uit welke gemeente hij gekomen was.

De paardenhandelaar merkte al gauw, dat die boer vrij onnoozel was. Hij vertelde, dat hij thuis een bruin paard had, en dat hij dit zwarte wilde ruilen om twee van dezelfde kleur te krijgen. ,,'t Paard, dat hij reed, zou goéd passen wat de kleur betreft," zei hij. „Ik zou 't wel willen hebben, als 't verder goed is. Maar nu moet jij zoo goed zijn en me niet bedotten door me een slecht paard te geven. Want er is niets in de wereld, waar ik zoo weinig verstand van heb als van paardenhandel."

Natuurlijk was 't eind van de historie, dat de paardenhande-

294

Sluiten