Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had. „Hij had een beetje grijzen baard," zei ze in zich zelf, „die was kort, spits en in tweeën verdeeld. Hij had een langwerpig gezicht, een langen neus, 't voorhoofd was breed, maar niet bizonder hoog. En hij leek sprekend op Christus, zooals ik hem altijd geschilderd gezien heb; hij was precies, zooals ik hem tegenkwam op den weg in 't bosch, maar nu was hij nog mooier en heerlijker. Er glansde licht in zijn oogen en een groote kracht, en om de oogen heen was 't donker en er lagen veel rimpels. Ja, om en in zijn oogen was alles-: wijsheid, en liefde, en droefheid en medelijden, en nog iets — alsof de oogen zóó scherp zagen, dat ze in den hemel God en Zijn Engelen konden zien."

Den heelen weg over was Gertrud in zalige verrukking. Zoo vol van geluk was ze niet geweest sinds den dag, dat ze Christus op de wei in 't bosch had ontmoet. Ze liep voort met gevouwen handen en omhooggeslagen oogen, alsof ze niet meer op de aarde liep, maar wolken en den blauwen hemel onder de voeten had.

Christus hier in Jeruzalem te ontmoeten — dat was nog heel wat meer, dan dat hij haar in 't woeste bosch in Dalecarlië verscheen. Daar was hij haar voorbijgegleden als een visioen, maar nu hij zich hier openbaarde, beteekende dat, dat hij teruggekomen was om onder menschen te werken.

Ja, dat was iets zóó grootsch, dat Christus gekomen was, dat je niet opeens alles kon overdenken wat dat beteekende: maar vrede en vreugde en zaligheid, dat was 't eerste wat die zekerheid haar bracht.

Toen Gertrud de stad uitkwam en de kolonie naderde, ontmoette ze Ingmar Ingmarsen. Hij had nog altijd die mooie zwarte kleeren aan, die zoo slecht bij zijn vereelte handen en grove trekken pasten, en hij zag er gedrukt en lusteloos uit.

Al dadelijk van 't eerste oogenblik, toen Gertrud Ingmar in Jeruzalem weerzag, was ze er verwonderd over, dat ze eens zoo aan hem gehecht geweest was. En ook had het haar vreemd geschenen, dat Ingmar thuis zoo'n groot man was. Zoo arm als hij was, hadden rij en alle anderen toch gevonden, dat zij nooit een beter huwelijk kon doen. Maar hier in Jeruzalem zag hij er alleen maar onbeholpen en onmogelijk uit. Zij kon niet begrijpen, wat ze thuis toch voor bizonders aan hem gezien hadden.

Maar Gertrud voelde toch niets tegen Ingmar, en ze zou graag vriendelijk tegen hem geweest zijn.

Maar toen had iemand haar gezegd, dat Ingmar van zijn vrouw gescheiden, en nu naar Jeruzalem gekomen was om haar — Gertrud — terug te winnen. Toen was zij verschrikt geworden en had gedacht: „Nu durf ik niet eens tegen hem te praten. Ik moet hem toonen, dat ik niet om hem geef. Dat gaat niet aan, dat ik hem een oogenblik laat denken, dat hij me weer terug zal kunnen

314

Sluiten