Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna, toen ze hem plotseling in 't oog kreeg. „Ja, ja, dat is Hij," riep ze uit, en vouwde de handen.

Ze staarde hem een oogenblik aan, zooals hij daar stond met de oogen neergeslagen, als in gebed. En hoe meer ze hem aanzag, hoe sterker haar geloof werd.

„Kun je niet zien, Ingmar, dat Hij geen mensch is?" fluisterde ze, en Ingmar antwoordde, ook fluisterend.

„Gisteren toen ik hem voor het eerst zag, meende ik ook, dat hij meer dan een mensch was."

„Ik voel een groote zaligheid, alleen al nu ik Hem zie," zei Gertrud. „Ik weet niet wat Hij van mij zou kunnen vragen, dat ik niet voor Hem zou willen doen."

„Dat komt zeker, omdat wij gewend zijn ons den Verlosser zoo voor te stellen," zei Ingmar.

De man, dien Gertrud voor Christus hield, stond nu rechtop en in bevelende houding midden in den kring van zijn aanhangers. Toen maakte hij even een beweging met de hand, en opeens begonnen allen, die om hem heen op den grond zaten, luid „Allah! Allah!" te roepen. Op 't zelfde oogenblik begonnen ze allen 't hoofd te bewegen, 't heen en weer te gooien, van links naar rechts, en van rechts naar links. Zij bewogen zich allen op de maat, en riepen bij elke beweging: „Allah, Allah!" Hij, die in 't midden stond, hield zich bijna stil, maar gaf de maat aan met een lichte beweging van het hoofd.

„Wat is dat?" zei Gertrud. „Wat is dat?"

„Maar Gertrud, je bent langer in Jeruzalem geweest, dan ik. Je moet wel 't beste weten, wat dat is." —

„Ik heb wel over iets hooren spreken, dat „dansende derwischen" heette," zeide Gertrud. „Dat is zeker hun eeredienst." Zij zat stil na te denken. Toen zei ze: „Dat is zeker al het begin. Misschien is dat hier in 't land de gewoonte, zooals wij de godsdienstoefening met een psalm beginnen. Als dat voorbij is, zal Hij wel over Zijn leer spreken. Ach! wat zal ik blij zijn, als ik Zijn stem hoor."

De mannen, die midden op de plaats zaten, gingen voort hun: „Allah! Allah!" uit te stooten, en 't hoofd heen en weer te gooien. Zij bewogen zich al sneller, hun voorhoofden werden met zweet bedekt, en 't Allah! roepen klonk als gerochel.

Zij gingen zoo verscheidene minuten onafgebroken voort, tot eindelijk hun leider een zwakke beweging met de hand maakte, en ze plotseling ophielden.

Gertrud had met neergeslagen oogen gezeten, om niet te hoeven zien, hoe ze zich pijnigden. Toen het stil werd, zag ze op en zei tot Ingmar:

„Nu begint Hij zeker te spreken. Ach, wat zou 't heerlijk zijn

319

Sluiten