Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanhoop. Al haar verwachtingen en droomen stortten in.

„Heeft hij dan niets — niets anders te leeren?" vroeg zij nog eens.

Alsof 't een antwoord op die vraag was, gaf de derwisch op dat oogenblik een teeken aan eenige dienaren, die niet aan de oefeningen hadden deelgenomen. Deze grepen een paar instrumenten, die aan een der zuilen hingen, een paar trommels en tamboerijnen. Op 't zelfde oogenblik, dat de muziek klonk; werden de uitroepen al luider en scheller, en de menschen wrongen zich geweldiger in bochten. Verscheidenen wierpen hun fez en tulband af, maakten hun haar los, dat bijna een el lang was. Zij zagen er vreeselijk uit, terwijl ze zich zoo lieten zwaaien, dat het lange haar hu eens voor hun gezicht, dan weer op hun rug hing. Hun oogen werden al starrer, hun gezichten leken op die van doode menschen, hun bewegingen werden kramptrekkingen, en wit schuim kwam uit hun mond.

Gertrud stond op. Alle vreugde en verrukking was gedoofd. Haar laatste hoop was dood. Ze voelde niets anders dan diepen weerzin. Ze ging naar den uitgang, zonder eens naar hem om te zien, dien ze zoo pas nog voor den Verlosser gehouden had.

,,'t Is toch jammer van dit land," zei Ingmar, toen ze buiten kwamen. „Wat een leeraars waren hier vroeger! En nu geeft die man alleen onderwijs in draaien en zwaaien als krankzinnigen."

Gertrud antwoordde niet. Ze liep naar huis. Toen ze buiten de kolonie kwamen, hief ze de lantaarn op. „Zag je hem zoo gisteren?" vroeg ze, en zag Ingmar in 't gezicht met oogen, die gloeiden van toorn.

„Ja," antwoordde Ingmar zonder aarzelen.

„Speet je dat zoo, dat ik gelukkig was, dat je me hem zoo moest laten zien?" zei Gertrud.

„Dat vergeef ik je nooit," voegde ze er na een poosje bij.

„Dat begrijp ik wel," zei Ingmar. „Maar dat neemt niet weg, dat je doen moet wat je weet, dat goed is."

Zij slopen de achterpoort in, Gertrud verliet Ingmar met een bitteren glimlach: „Je hebt je werk goed gedaan. Ik geloof nu niet meer, dat die man Christus is. Ik ben niet gek meer. Je hebt 't mooi gedaan."

Ingmar ging zwijgend naar de trap, die naar de slaapzaal van de mannen leidde. Gertrud kwam hem achterop. „Onthoud maar, dat ik je dit nooit vergeef," herhaalde rij.

Daarop ging ze naar haar kamer, ging naar bed en schreide zich in slaap. Ze werd den volgenden morgen vroeg wakker, maar bleef in bed. Zij lag er zich over te verbazen. „Wat is dat. Waarom sta ik niet op? Hoe komt het, dat ik niet naar den Olijfberg verlang?"

Jeruzalem. 21

321

Sluiten