Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat je de kolonisten niet waarschuwt, nu je weet, dat er plannen tegen hen gesmeed worden.

't Lijkt wel, alsof je meent, dat God niet wist wat Hij deed, toen Hij je naaste betrekkingen hier naar dit vreemde land leidde. Maar al kun je Zijn bedoeling niet raden, dan kun je toch wel begrijpen, dat Hij niet bedoelde, dat dit alles maar een paar jaar zou duren.

Misschien zag God neer op Jeruzalem en op al de oneenigheid, die in de stad woelde, en dacht Hij toen: „Zie, ook hier wil ik een vrijplaats maken, waar eenheid woont, en een woning voor vrede en eendracht wil ik hier bouwen."

Ingmar stond nog steeds stil. Hij liet zijn gedachten strijden. Ze stonden tegenover elkaar als reuzen, en haar worsteling was geweldig.

De hoop, die Ingmar had opgevat, dat hij gauw naar huis zou gaan, had zich vast in hem geworteld. Hij streed lang om die vast te houden.

De zon ging onder en de duisternis viel snel. Maar Ingmar bleef daar in de duisternis staan met zijn strijd.

Eindelijk vouwde hij zijn handen en bad tot God: „Nu smeek ik U, God, laat mij Uw wegen gaan."

Nauwelijks had hij dit gezegd of Ingmar voelde een wonderbaren vrede in zijn ziel. Maar op 't zelfde oogenblik was 't alsof zijn wil verdween, en hij begon te handelen volgens een wil, die niet de zijne, maar die van een ander was. Hij voelde dat zoo duidelijk, alsof iemand hem bij de hand vatte en hem leidde. „Dat is God, die mij leidt," dacht hij.

Hij daalde van den berg af, ging door 't dal van Hinnom en Jeruzalem voorbij. Hij dacht er aldoor aan, dat hij naar de kolonie zou gaan, en het bestuur daar vertellen wat hij ontdekt had. Maar toen Ingmar aan 't kruispunt gekomen was, waar de weg naar Jaffa terzijde afliep, hoorde hij de hoefslagen van een paard achter zich. Hij zag om. Daar kwam een ruiter aan, die dikwijls in de kolonie geweest was, en nu twee paarden bij zich had. Hij bereed 't eene en voerde 't andere bij den teugel.

„Waar moet je heen?" vroeg Ingmar en hield hem aan, toen hij voorbijreed.

„Ik moet naar Jaffa," zei de man.

„Ik zou ook graag naar Jaffa gaan," zei Ingmar snel. 't Kwam hem o ogenblikkei ijk in den zin, dat hij van dit toeval gebruik moest maken, en dadelijk naar Mrs. Gordon rijden, zonder eerst de kolonie aan te doen.

Spoedig was er overeengekomen, dat Ingmar naar Jaffa zou rijden op het losse paard, 't Was een goed paard en Ingmar wenschte zichzelf geluk met zijn inval. De zeven mijlen naar Jaffa

327

Sluiten