Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar in 't dal kwam hij in eens in een donkere schaduw. Daar kon hij den weg niet goed zien, maar hij holde toch voort. Toen struikelde hij over een steen en viel.

Hij stond dadelijk op, maar voelde al gauw, dat hij zijn knie bezeerd had, zoodat hij maar moeilijk loopen kon. Hij zette zich aan den kant van den weg.

,,'t Zal wel gauw over zijn," dacht hij „maar nu moet ik toch even rusten."

Hij voelde intusschen, dat hy onmogelijk lang stil kon zitten. Hy nam nauwelijks den tijd zyn hijgen te doen bedaren.

„Nu weet ik wel, dat dit niet mijn eigen wil is," zei hy. ,,'t Is, alsof iemand me naar Jaffa sleept en drijft."

Hij stond weer op. Zijn knie deed hevig pijn, maar hij gaf er niet om en ging voort. Na een poosje weigerde die hem haar dienst, en hy bleef aan den weg liggen.

„Nu is 't met me voorbij," zei hij, toen viel hy en sprak de macht aan, die hem voortdreef. „Bedenk nu in Gods naam iets om my te helpen."

Terwijl Ingmar dat zei, hoorde hij in de verte het geluid van aanrollende wielen; 't naderde met ongelooflijke snelheid. Bijna op 't zelfde oogenblik, dat hy het heel in de verte hoorde, was het dicht bij hem — hij hoorde aan de vaart, dat de paarden in wilden galop over de heuvels aankwamen. Boven alles uit hoorde hij de zweep, die onophoudelijk knalde, en het roepen, waarmee de koetsier de paarden aanzette.

Ingmar haastte zich op te staan van de plaats, waar hij lag, en naar den kant van den weg te gaan om niet overreden te worden.

Eindelijk kwam de rijdende van de lange helling af, waar Ingmar kort geleden afgedraafd was. Hy kon goed zien, wie er aankwam. De wagen was een gewone, grove, groen geschilderde kar van die soort, die in West-Dalecarlië gebruikt wordt.

„Ja, ja," dacht Ingmar. „Dat is hier zeker niet in orde. Zulke karren bestaan stellig niet in Palestina."

De koetsier leek hem nog wonderlijker. Hij leek ook wel een Dalecarliër, met een kleinen, zwarten hoed en rond afgeknipt haar. Voor alle zekerheid had hij zijn jas uitgetrokken, en zat daar in zijn groen lakensch vest met roode mouwen. Dat gerij was uit Dalecarlië, — daar kon niemand aan twijfelen, 't Paard was ook wonderlijk, 't Was een prachtig, groot, sterk dier. 't Was zwart, en zoo glanzend en welgedaan, dat 't blonk. Hij die reed, zat niet, maar stond in den wagen, over het paard gebogen, en klapte met de zweep boven zijn kop, om het aan te zetten. Maar 't paard scheen de slagen niet te voelen, en ook niet moe te worden van de vliegende vaart, maar joeg voort, alsof 't een spelletje was.

329

Sluiten