Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zamerhand achteraan. Zij beginnen in de scholen te werken, zij

koopen een camera obscura, en trekken het land door om photographieën te maken, die aan de reizigers verkocht kunnen worden; zij richten in een hoek van de kolonie een kleine goudsmidswerkplaats in; Miss Young werkt al geruimen tijd als hoofd in de school van Achmed Effendi, en de jonge Zweedsche meisjes leeren den Mohammedaanschen kinderen naaien en borduren.

Tegen den herfst gonst en bruist de heele kolonie van werk en nieuwe ondernemingen. Men is er vlijtiger dan in een mierenhoop.

En als men nadenkt, is er den heelen zomer geen ongeluk gebeurd, sinds Ingmar den molen overnam. Niemand is meer waanzinnig geworden uit droefheid over Jeruzalem's boosheid. Allen stralen van opgewektheid, zij hebben hun kolonie liever dan ooit; zij maken plannen, zij beginnen nieuwe ondernemingen, 't Was dit alleen, wat er aan hun geluk ontbrak. En nu gelooven allen, dat het Gods wil was, dat ze hun brood door arbeid verdienen zullen. In den herfst geeft Ingmar den molen over aan Ljung Björn en blijft thuis in de kolonie. Hij en Gabriël bouwen een soort van schuilplaats op 't kale veld daarbuiten. Maar niemand weet, waar die voor gebruikt moet worden, niemand mag zien, hoe 't ingericht wordt, 't Is een groot geheim.

Als de schuilplaats eindelijk klaar is, gaan Bo en Ingmar naar Jaffa, en beginnen eindeloos lange onderhandelingen met de Duitsche kolonisten daar. Maar na twee dagen komen ze weer thuis, en dan komen ze op een paar mooie bruine paarden aanrijden. Die zullen nu van de kolonie hooren, en dit is zeker, dat, als een sultan of keizer op de deur geklopt had, en verklaard, dat hij zich bij de kolonisten aan wilde sluiten, hij misschien niet meer welkom geweest zou zijn.

Ach, wat hangen en bengelen de kinderen aan die paarden en hoe trotsch is de boer, die met hen ploegen mag! Zij zijn beter befaamd dan eenig paard in 't oosten, en geen nacht gaat voorbij dat niet de boeren bij hen komen kijken, of hun krib wel gevuld is.

Maar wie ook van de Zweden 's morgens de paarden onder tuig brengt, hij kan niet laten te denken: „Dit land is toch niet eoo akelig om er te wonen. Nu voel ik me thuis. Ach! hoe zonde toch, dat Tims Halfvor dit niet beleefde. Hrj had zich niet doodgetreurd als hij zulke paarden voor zrjn ploeg had gehad."

't Was op een morgen in September. Heel vroeg, terwijl 't nog donker in de kolonie was, kwamen Ingmar en Bo naar buiten. Ze moesten naar 't werk, in een van de wijngaarden op den Olijfberg.

840

Sluiten