Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja," zei Ingmar. ,,'t Zou wel hard voor me zijn, gedwongen te worden onverrichterzake naar huis te gaan."

En nu bleek het hoeveel prijs Mrs. Gordon op Ingmar stelde, want zij zocht Gertrud op, en sprak er met haar over, dat Ingmar niet naar huis wilde, hoewel hij gevaar liep blind te worden, als hij bleef. „Je weet wel, waarom hij niet van hier weg wel," zei Mrs. Gordon.

„Ja," antwoordde Gertrud.

Gertrud zag Mrs. Gordon met groote oogen aan, en deze zei niets meer.

Mrs. Gordon kon haar niet ronduit vragen met de wetten van de kolonie te breken; maar Gertrud begreep, dat haar alles vergeven zou worden, wat zij ter wille van Ingmar deed

„Als 't iemand anders dan mij gold, zou Mrs. Gordon niet zoo toegevend zijn," dacht ze gekwetst, „maar ze houden me hier voor niet recht wijs; ze zouden zeker blij zijn, als ik heenging."

Dien dag kwam de een na den ander met Gertrud over Ingmar praten. Niemand durfde haar ronduit zeggen, dat ze met hem mee moest gaan, maar de Zweedsche boeren kwamen naast haar zitten, en spraken over den held, die voor de doode gestreden had in 't dal van Josafat, en zeiden, dat Ingmar nu bewezen had, dat hij een rechte telg van den ouden stam was. ,,'t Zou toch ontzettend jammer zijn, als zulk een man blind werd," zeiden ze.

„Ik zie Ingmar nog op den dag, dat er verkooping was op Ingmarshoeve," zei Gabriël, „en ik zeg je, als je hem toen gezien hadt, zou je nooit boos op hem geworden zijn."

't Was Gertrud, alsof ze den heelen dag worstelde met zoo'n wonderlijken droom, waarin men wegloopen wil, maar niet van de plaats komen kan.

Ze wilde Ingmar helpen, maar ze wist niet, hoe ze daar kracht toe krijgen kon. „Hoe kan ik dit voor Ingmar doen, nu ik hem niet meer liefheb?" vroeg ze zich af. „En hoe kan ik het laten, nu ik weet, dat hij blind worden zal?" vroeg zij ook.

Tegen den avond stond Gertrud buiten de kolonie, onder de groote sycomoren, en ze dacht er aldoor aan, dat ze eigenlijk met Ingmar mee moest gaan, maar dat ze geen kracht had daartoe te besluiten.

Toen kwam Bo bij haar buiten.

„Soms is 't zoo," zei Bo, „dat de menschen blij kunnen worden door hun ongeluk, en bedroefd door hun geluk."

Gertrud keek hem vlak in 't gezicht met groote, verschrikte oogen. Zij zei niets, maar hij begreep, dat ze dacht: „Kom jij me nu ook al plagen en vervolgen?"

Bo beet zich op de lippen, en vertrok zijn gezicht even, maar 't volgend oogenblik zei hij toch, wat hij zeggen wilde:

347

Sluiten