Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mar?" vroeg de oude man heel teer. Ingmar werd verrast, hij verloor zijn zelfbeheersching, en barstte in snikken uit.

„Zeg me liever de waarheid," zei de oude man,

Ingmar was oogenblikkelijk weer stil en kalm. „Ik mag toch wel schreien, nu ik zoo'n goed vriend verliezen zal, als jij voor me geweest bent."

Maar de oude man werd nog onrustiger; eindelijk parelde het zweet hem op 't voorhoofd.

„Je bent maar pas in het land gekomen, Ingmar," zei hij eindelijk. „Ik weet niet, of je al ie/ts van de hoeve hier gehoord hebt."

„Ja," zei Ingmar, „wat je bedoelt, hoorde ik al in Jeruzalem."

„Ik had beter moeten passen op wat je toebehoorde," zei Sterke Ingmar.

„Ik zal je eens wat zeggen. Je doet onrecht, als je wat kwaads van Barbro denkt."

„Doe ik dan onrecht?" zei de oude man.

„Ja," zei Ingmar luid. ,,'t Is goed, dat ik thuis gekomen ben, zoodat ze iemand heeft, die haar verdedigen kan."

De oude man wilde antwoorden, maar Barbro, die in de groote kamer gegaan was om 't koffieblad te dekken voor de gasten, had het heele gesprek door de halfopen deur gehoord. Nu kwam ze haastig in de kleine kamer en liep op Ingmar toe als om hem iets te zeggen. Maar op 't laatste oogenblik scheen ze op andere gedachten te komen. En ze boog zich over den ouden man en vroeg hoe hij 't had.

„Veel beter, nu ik met Ingmar gesproken heb," zei Sterke Ingmar.

„Ja, 't doet goed met hem te spreken," zei Barbro rustig en ging bij 't venster zitten. Nu werd het merkbaar, dat Sterke Ingmar zich op den dood voorbereidde. Hij lag met gesloten oogen en gevouwen handen. Allen hielden zich heel stil om hem niet te storen.

Maar de gedachten van Sterke Ingmar gingen aldoor naar den dag, dat Groote Ingmar stierf. Hij zag de kamer voor zich, zooals die geweest was, toen hij binnenkwam om afscheid van hem te nemen. Hij herinnerde zich de kindertjes, die zijn meester gered had, en die op zijn bed zaten, toen hij stierf. Toen hij daaraan dacht werd hij heel week.

„Zie je, Groote Ingmar, je bent me een heel eind vooruit," fluisterde hij, want hij begreep wel, dat de vriend van zijn jeugd op dit oogenblik niet ver van hem verwijderd was. „De dominee en de dokter zijn hier, en je deken ligt nu over mij uitgespreid, maar een kindje, dat bij de beddeplank zit, dat kan ik niet hier krijgen."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of iemand antwoordde hem:

378

Sluiten