Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

precies te laten doen wat ik wilde. Ik vond het heerlijk Over haar de baas te spelen en gewoonlijk onderwierp zij zich aan mijn dwingelandij, liever dan een vechtpartij nit te lokken. Ik was sterk, bedrijvig en onverschillig voor de gevolgen. Ik wist best wat ik wilde en kreeg altijd mijn zin, al moest ik er ook met hand en tand om vechten. Wij brachten veel tijd in de keuken door, kneedden het deeg, hielpen bij het ijs-maken, maalden koffie, kibbelden om de koekepan, en gaven eten aan de kippen en kalkoenen, die daar vrij rondliepen. Vele daarvan waren zoo tam, dat zij aten uit mijn hand en toelieten, dat ik ze betastte. Eens pikte een groote kalkoen een tomaat uit mijn hand weg en liep daarmee heen. Misschien door die stoute daad geïnspireerd, brachten wij de taart, die de keukenmeid juist gebakken had, achter een stapel hout en aten die daar achter elkander op. Mijn maag raakte daardoor geheel van streek, en ik zou wel eens willen weten of de kalkoen diezelfde straf ter vergelding ondervonden heeft. Toen ik ongeveer vijf jaar oud was, verhuisden wij uit het kleine begroeide huisje naar een nieuw en grooter. De familie bestond uit mijn vader en moeder, twee halve broers en later nog een zusje: Mildred. Langen tijd beschouwde ik haar als een indringster. Ik wist, dat ik nu niet meer moeders eenige lieveling was, en die gedachte maakte mij erg jaloersch. Zij zat gedurig op moeders schoot, waar ik vroeger placht te zitten, en scheen al haar zorg en tijd voor zich te nemen. Eens gebeurde er iets, dat in mijn oogen bij achteruitzetting beleediging voegde. Ik had in dien rijd een zeer beminde en zeer mishandelde pop, die ik later Nancy noemde. Zii was helaas het onschuldige slachtoffer van mijn aanvallen van drift of van hartelijkheid, en droeg daar vele kenteekenen van. Ik had poppen, die praatten en riepen, en die de oogen open en dicht deden, doch van geen van alle hield ik zooveel als van de arme Nancy. Zij had een eigen wieg, en ik was dikwijls een uur bezig met haar te wiegen. Ik bewaakte die pop en de wieg met de uiterste zorg, maar eens ontdekte ik, dat mijn zusje er rustig in lag te slapen. Deze aanmatiging van de zijde van iemand, aan wie ik mij nog niet door liefde verbonden gevoelde, maakte mij zeer boos. Ik pakte de wieg beet en wierp die onderste boven, en mijn zusje had wel dood kunnen zijn, als mijn moeder haar niet had opgevangen. Zoo is het: wanneer wij in het dal der dubbele eenzaamheid wandelen, dan weten wij weinig van de hartelijke toegenegenheid, die ontspringt uit teedere woorden en handelingen, en gezelligen omgang. Toen ik later in mijn menschelijk erfdeel was hersteld, groeiden Mildred en ik elkander zóó aan het hart, dat wij al tevreden waren, als wij samen hand in hand naar hartelust ronddoolden, ofschoon zij mijn vingertaai niet verstond, evenmin als ik haar kinderlijk gesnap.

De gewichtigste dag, dien ik mij uit mijn geheele leven herinner, is die waarop mijne onderwijzeres Anna Mansfield Sullivan bij mij kwam. Ik ben nog één en al verbazing als ik naga, welk een onmetelijk verschil er bestaat tusschen de twee levens, die op dien dag werden verbonden. Het was de derde Maart 1887, drie maanden vóór dat Ik zeven jaar werd. In den namiddag van dien gedenk-

24

Sluiten