Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oopa (loopen), oesa (hoesten), kvaa (kuieren), chapa (slapen), zinna (zingen), peeja (spelen). Toch komt er van weerszijden reeds toenadering tusschen beide vormen. Van de persoonsvormen uit, verschijnt naast den Imperatief koem, de nieuwe Infinitief koema; en van den Infinitief gooia in gooia foei l leidt hij een persoonsvorm chooi af, in chooi da baj (ik gooi den bal).

18 ld baal ^an verbaa'"-zinne'ies noteerde moeder, behalve de zinnen zijn onder' boven9enoenide, in dezen tijd nog: Pfef.efa (Piet eet), werp en voorwerp ^ee^e emma (Keesje wil hebben). Moerïa chaan (ik ga nog niet onder- nioeder slaan). Moena/i/Va (moeder schrijft). Over hun scheiden. beteekenis kunnen we na het bovengezegde hier kort

zijn. Juist als bij de tweeledige nominaalzinnen, smelten ook hier twee voorstellingen samen. En die versmelting wordt door het verstandelijk bewustzijn beaamd of geconstateerd, en dan langs het mondje verder verteld: door de woorden van beide voorstellingen in één adem uit te spreken. Keesje ziet Oom Piet, en aan oom Piet de handeling eren. De voorstellingen van beide waarnemingen vallen dus groot endeels samen. Dat ziet Keesje door het raampje van z'n verstandelijk bewustzijn. Piet is de voorlooper of het onderwerp. Eten is de jongen die den anderen naloopt en beetpakt of het gezegde. Zoo ook in moena^chijva. Hij ziet moeder, en aan haar de handeling van schrijven. Eveneens in moena chaan. Hij ziet moeder, en aan haar in z'n verbeelding ten minste de klappen die hij, boos jochie, haar voor de grap geven wil. Klappen of geslagen worden en slaan is voorloopig nog allemaal hetzelfde, en de juiste uiting voor zijn deugnieten-plan, is dus: moena chaan.

19 De aard d Wlen ziet het primitieve werkwoord is hier nog vooral werkwoorden een handelingsnaam. De werkwoorden zijn dan ook de

rechte afstammelingen van de eerste impressionistische zinwoordjes. Juist omdat bewegingen en handelingen slechts in het voorbijgaan zijn waar te nemen, en dus veel vluchtiger voorstellingen in Keesjes geheugen achterlaten, heeft zich bij hen het bekendheidsgevoel niet of ternauwernood ontwikkeld. Ze zijn dus eigenlijk van primitiever natuur dan de substantieven, instantané-kiekjes, geen portretten.

20 Het werk Maar w£arom komen ze dan als scherp gëkarakteriseerde woords-tiidoerk woordsoort later voor den dag als de substantieven?

*^ * Wel, omdat ze toch ook reeds merkbaar van die vroegere zin woordjes verschillen. Ik zeide het reeds: het werkwoord is vooral een handelingsnaam, maar niet Uitsluitend. In al deze zinnetjes toch wordt het werkwoordelijk gezegde in verband gebracht met, en gezegd van een substantief, wat bij die vroegere zinwoordjes niet gebeurde. En daaraan beantwoordt in de gedachte van het kind: dat het die handeling opvat als een voorbijgaande verandering aan een blijvende ouwe bekende, net als op een oogenbliks-kiekje ook altijd een persoon staat, die juist in het

76

Sluiten