Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij bij het kijken van het geitje in z'n prentenboek naar het geitje op den veranda-muur het overgangsgevoelentje was gewaar geworden, en daartoe in navolging van moeder oocha (ook) had gezegd, merkt hij in 't vage dat zoo'n zinnetje ais fou meisja toch eigenlijk een heel onvolmaakte manier is, om zoo'n konstateering van twee-gelijkwaardige-dingen-naastelkaar in woorden over te brengen; en nu zegt bij eindelijk van moeder het tot dan toe onbegrepen woordje „en" na. Keesje had namelijk een Oom en Tante, die hen altijd samen kwamen bezoeken. Ze heetten Rika en Jan, en vaak had dan ook moeder tot vader gezegd: Rika en Jan komen van middag, enz. Juist in deze maanden begon nu ook Keesje van Rika a Jan te praten. Wat is hier gebeurd? In oocha en oocha sikka beteekent oocha alleen het terugvinden van iets gelijks, maar zonder uitdrukkelijke terugwijzing naar het vorige. In die eene constructie was althans alleen sprake van het tweede lid. Dit is nu anders geworden. In de nieuwe constructie Rika a Jan zijn het punt van uitgang èn het punt van aankomst aangegeven, plus het overgangsgevoelentje tusschen beide. In deze tweeëenheid is dus geen baasspelen of onderschikking meer. De beide namen staan gelijkwaardig naast elkaar, en dat heet NEVENSCHIKKING. In hetzelfde beeld van vroeger kunnen we dus zeggen, dat nu voor het eerst twee evengroote kinderen die elkaar voortdurend bij de hand houden, langs het raampje van Keesjes bewustzijn kwamen geschaatst (Fig. 17). „En" is hier een voegwoord. Er zijn echter ook gevallen, dat Keesje de beide dingen niet te gelijk ziet, maar dat hij het eene ding ziende, daardoor vanzelf aan het andere begint te denken. Aanvankelijk gebruikte bij hier weer alleen den gewonen zinsvorm van onderwerp en gezegde voor, zoo b.v. in: kacha fuita. In zijn derde jaar echter begint bij, vooral bij adjectieven hier ook weer het overgangswoordje.als van moeder na te zeggen, dat in zijn mondje voorloopig altijd as luidt. Zoo zegt hij: Zwart as een git. Ook dit is weer een nevenschikking en daarom zijn ook, en, als alle drie voegwoorden.

29 V hil tus- ^aar nu z'in er °°k onderschikkende constructies van schen vrorzetsete i1"8* denzelfden vorm als de pas genoemde. Ook deze en voegwoorden. waren vroeger van die primitieve nominaalzinnetjes, waarin twee voorstellingen samenvielen. Zoo noemde hij vaders doosje: faja doosja, en het doosje van tante Net: doosja tatta Net. Maar in verbindingen als faja toosja en moenas kitta, Piet jas enz. blijkt nu op den duur duidelijk: dat het eerste woord den baas speelt. Naar faja, moena en Pier gaat in deze constructies vooral Keesjes aandacht uit, en het tweede woord is ondergeschikt. Nu Keesje echter in onderschikkende constructies, tusschen de twee leden, het fijne overgangetje is gaan voelen, merkt hij dat ook hier op, en weet het nu ook te zeggen. Zei Keesje nog kort geleden Koeta man emmer an (Daar komt een man met

104

Sluiten