Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doodgraver, waarschijnlijk, omdat ik niet dadelijk antwoord gaf. „Heerlijk I — voor wien maak je dat graf?" klonk mijne wedervraag, eigenlijk alleen om iets te zeggen. „Och! 't is maar voor een kind; 'k weet met hoe het heet en van wien het is", antwoordde de man onverschillig, terwijl hij zijne pijp uit den mond nam en met den vinger de ascb in den kop aandrukte, „'t Is maar voor een kmd!" Die woorden deden mij pijn; dat antwoord, zoo doodkalm en onverschillig gegeven, sneed mij door de ziel. „Je hebt zeker zelf geene kinderen?" vroeg ik ernstig. „Nooit gehad, meneer!" „Dat dacht ik wel. Goeden morgen!" Ik wendde mij af en ging heen. Oude man! dacht ik bij mij zeiven, ge zegt dat zoo onverschillig, maar ge zoudt zoo niet spreken, wanneer ge wist, wat het is, kinderen te hebben; indien ge de weelde kendet, uw eigen kind aan het hart te drukken. Ge hebt nooit het geluk gekend, uw kind slapend te zien, de kussens te schikken en 't blond gelokte hoofdje der kleine er zachtkens in te vlijen, de dekens vaster om de tengere leden te trekken en van de frissche lipjes van het slaapdronken kmd de woorden te hooren: „Goede nacht, lieve va!" Arme man! ge mist veel, want ge hebt nooit de eerste stamelklanken gehoord van 't wichtje, dat de armpjes naar u uitstrekt en u toelacht, omdat het nog geene woorden kent om te zeggen, dat het u liefheeft.

Oude man! ge graaft rustig voort, terwijl ge uw pijpje rookt en voor

uw oog rijst geen beeld van wel en wee. Voor 't mijne wel.

Voor 't oog mijns geestes zie ik een moeder. Geluk straalt uit haar oog, een glimlach van tevredenheid zetelt op hare lippen.

Sussend drukt zij het kinderhoofdje aan haren boezem, elke ademhaling van haar engeltje bespiedt zij met oogen, schitterend van trots, tintelend van blijde verrukking. Zij geniet eerst dan den heerlijksten slaap, wanneer 't kleine fluweelen handje op hare borst rust Zij ontdekt den eersten blik van het ontwakend bewustzijn in die zachte kinderoogen. Zij bespeurt met reine vreugde het eerste in dat kleine gezichtje de bekende geliefde trekken, die zij heeft gezocht. Zij vindt ze met verrukking!

Mijne verbeelding toont mij een ander tafereel.

De zie eene weduwe, moe en mat geweend. Zij heeft alles verloren; men heeft hem, dien zij hef had, weggedragen, ze is der wanhoop nabij — daar valt haar oog op 't bedje van haar kind, en knielend bij die kleine legerstede vindt zij troost. Neen! niet alles is haar ontnomen. Anders dan vroeger nog inniger misschien, drukt zij haren troost haren schat aan 't treurend hart; kalmer wordt het in haar gemoed, rustiger in hare ziel. Zij weent maar tusschen de tranen van droefheid mengt zich toch één enkele van geluk, als zij de mollige armpjes om haren hals voelt slaan en 't vleiende stemmetje hoort zeggen: „Lieve moe!" Haar hart troosteloos en moede, heeft weer moed en waagt den harden strijd met het leven, opdat het haren lieve-

115

Sluiten