Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13 Door d alles een naam heeft. Toen toch ontdekte hij zelf reeds

j ' u*00* __Ll in het vage: dat de menscheliike woorden niet de dachten nemen «. j

wij geestelijk de namen van onze voorstellingen, maar van de met onze wereld in bezit, voorstellingen bedoelde dingen zijn. En daarom is het koortsachtige drukke namen-vragen van kinderen geen gril of koppige kinderlijke hebbelijkheid, maar de zeer natuurlijke zucht tot geestelijke in-bezit-neming der werkelijke omgevingswereld, 't Is telkens een zwakke herhaling van het grandioze tooneel in het eerste Bijbelboek van Adam, den koning der schepping, verhaald: „Toen de Heer God al het gedierte des velds en alle vogelen des hemels geschapen had, bracht Hij ze tot Adam om te zien, hoe die ze noemen zou, en gelijk Adam elk levend wezen noemde, zoo was z'n naam".

Maar het zou ondoenlijk zijn: alle dingen, ook die ons minder belang inboezemen te kennen, bij hun eigen naam. Daarom vonden wij de algemeene denkbeelden uit. En uit de verbindingen der denkbeelden ontwikkelden zich de drie hoofdsoorten van gedachten. Vooral de drieledige zin bracht Keesje toen weer een heel eind verder. Aan doer manna mam-mam, doet eza ia-ia, doet auto toe-oe-oe had hij veel plezier beleefd, dat vond hij een leuk spelletje. Nu zien we duidelijk, dat hij, in de dagen daarop, al de kinderen van z'n verbeelding afzoekt, welke twee hij telkens, met den eeuwigen passe-partout Doer, datzelfde spelletje kan laten spelen. En dat bij dit zoeken hem een nog vage gedachte leidde, was zeer duidelijk. In de eerste drie voorbeelden was het een geluid, dat de soldaten, de ezel en de auto heten hooren. Toen kwamen weldra meer zulke geluiden: pats (krak) doet bed, ting doe kok (ting doet de klok), poesja doe miauw, waf-waf doet oet (waf-waf doet de hond), pats doet a doof {pats doet de doos bij 't dichtklappen), koekaroe doet duif ja, uut doet a man a paat (Ksst doet de man tegen 't paard), 't Is natuurlijk uitgesloten, dat dit allemaal louter toeval zou zijn. Keesje werd hier geleid door een gedachte, die hij toen nog niet duidelijk in woorden kon uitspreken, maar die in groote-menschenwoorden vertaald, ongeveer deze moet geweest zijn: „Hé, allerlei dingen schijnen elk een ander geluid te maken. Laat ik eens zoeken, of ik er nog meer kan vinden". Nu, gelijk we zagen, hij zocht, en vond er een heele boel. „Dus 't was zoo, allerlei dingen maken een eigen geluid". Is dat nu inderdaad voor een kind geen ontdekking van belang ? Nooit ofte nimmer heeft een papegaai zoo'n waarheid uitgesnaterd. En bovendien ze is heelemaal nieuw. Deze waarheid had Keesje met waarnemingen en voorstellingen alleen nooit kunnen vinden. Alleen z'n denken, z'n verstand is tot zulke ontdekkingen in staat. Maar langzamerhand verbreedde zich de gezichtseinder van die nieuwe gedachtenwereld. Met dat geluid maken, van den hond, van de doos, van het bed, ging gewoonlijk een schielijke beweging van den honde-bek, het deksel, of Keesje-zelf gepaard. Vandaar dat hij nu

122

Sluiten