Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht, met de opvatting van alle andere menschen heelemaal geen rekening te houden, en alleen te rade te gaan bij zich zelf.

18. Stilzwijgende P",.^^ ^ V3n,twe^ 3 drle l33* noodzaafspraakt alles keUJkcrwMze in de omstandigheden van een zeer verop te vatten als waand mensch. Het eenig verschil is, dat de leidende kindjes. neigingen in den verwaanden mensch een gevolg zijn

van zijn trotschen wil, terwijl ze bij het kind eenvoudig op het onwillekeurig gebrek aan ondervinding berusten; Heel het kinderhjk bewustzijn, met z'n bedoelingen, z'n voorstellings-verbindingen. en gevoelens wordt beheerscht door een stilzwijgend plan: alles louter en alleen naar zich zelf te beoordeelen. Z'n eigen wezentje is voor Keesje niet de helft, maar negen tiende van het heelal. Geen wonder dus, dat dat laatste tiende part zich naar de overige negen moet schikken. Alles wat de dreumes ziet of hoort, en maar in de verste verte lijkt op z'n eigen eigenschappen of handelingen, vat hij op als Wem-ktaderlijke eigenschappen of handelingen; ja zoover gaat dit: dat al wat Keesje omgeeft: personen en zaken zonder onderscheid, in zijn verbedding tot kleine Keesjes worden omgeschapen.

19. Persoonsver- V°R ^{^"f neus' P°P neus poetsa en hij voegt bedding. daad bi) oet woord. Pop/a koek era, veesja (vleesch)

era. Nu daar moet hij lang op wachten natuurhjk. En daarom verzint hij weer naar iets. dat hij zelf kan uitvoeren. Papja wassa (wasschen). En als hij daarmee klaar is, moet ze naar bed: Popja chapa. En dat kunnen ook nog wel een paar andere bekenden van hem: bok (blokken) chapa emtja (emmertje) chapa. Hij legt ze naast elkaar in de kast, en terwijl hij de deur sluit, klinkt het bevel: ammaa chape. Een anderen dag roept hij popje cheit, ds z'n pop van tafel valt; die beta (die beter, schreit niet meer) zegt hij van een tweede pop, die d op den grond lag; en na een oogenblik over de zelfde: die peert (spedt). Nu voor de pop verwondert ons dat niet. De pop is er juist op gemaakt om aan het kmd iets te geven dat op hem zelf gelijkt. Maar het doet ons daarentegen vreemd aan, ds het kind allerlei andere dingen, die nu letterlijk niets op Keesje zelf lijken, ds kindjes gaat begrijpen en beoordeden. Het had gesneeuwd, maar de sneeuw was spoedig gedooid. Waar is de sneeuw nou? zegt Keesje. De sneeuw is weg. is bootampja gaan eta, koesja mek gaan dmka. In dezelfde laatste maanden van dit jaar had hij zich in ll^J*** ^n^ea- cn hct had-leelijk gebloed. Na een tijdje droogde het bloed op. En Keesje constateert met verwondering: Het boet is weg tts nahuts gagaan, bootampja gaan era mer suika. Kort daarna vdt z'n potlood, en het rolt weg: hei, hei, roept Keesje, soer bijfa riche (zoet blijven hogen). Ook de jeuk beschouwt hij blijkbaar als iets levends: da ts da jeuk weer. Is de jeuk weg? vraagt moeder na een oogenblikje, jeuk

125

Sluiten