Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

z'n broertje, die op 't punt was een knoopje in te slikken: Slik 's uit (voor spuw uit). En omgekeerd zei X. d. V. op denzelfden leeftijd: Zus/a moer opspugan (voor opslikken, inslikken) naar uitspuwen. Men ziet, zulke gevallen komen het meest voort uit de versmelting van twee uitdrukkingen vóór feiten of dingen, die wij oudere menschen als tegenstellingen beschouwen, maar in het kinderlijk brein nog als broertje en zusje bij elkaar hooren.

28 De vaste woord zoo'n schuilende determineerende neiging worden schikkingen z'iwi' nu ook de syntactische analogieën duidelijk, die we tot analogieën op nu toe als graag herhaalde kunstjes betitelden. Juist syntactisch gebied. °°>dat Keesje eerst per toeval een paar keer Toe-oef

dber auto gezegd had, en moeder hem verstond, werd deze zinvorm het schema, waarnaar hij nu alle mogelijke andere zinnetjes ging bouwen. Ook de aantrekkingskracht, die gelijk we in nr. 12 van Hfdst. VI zagen, de onderwerp-gezegdezinnetjes op de attributieve uitroepen gingen uitoefenen, zoodra deze laatste een konstateering begonnen te beteekenen, is zoo'n zelfde verholen leidende neiging. Het kleinere opkomende groepje moest zich, sinds de beteekenis ongeveer dezelfde geworden was, aanstonds naar het model der grootere reeds langer bestaande groep schikken; juist als de opvatting der buitenwereld (='/10 heelal) zich moest richten naar de opvattingen, die Keesje had van zich zelf (=9/10 heelal).

29 D persoon Z'en dat Keesjes vooruitgang over de heele verbeddtagTzï ft» van. *?}~ « ^fefcnuJ9 V*fr* tred houdt niets dan analoge- uPPervlak*ig gezien lijken de personificaties en de ën op stijlgebied. grammatische analogieën niet veel op elkander, maar

bij diepere beschouwing blijkt, dat ze beide berusten op een zelfde zielsmekaniek: de schuilende weigingen der analogie. Alleen, we zagen het reeds aan oocha (ookje), zulke analogisch in elk kind opkomende taalverschijnselen hebben, om te blijven voortbestaan, den bijval, de instemming der huisgenooten noodig. En nu zal het wel reeds duidelijk zijn, dat Keesje met z'n verwaande inbeelding van "/l0 heelal te zijn, op den duur bij vader en moeder niet meer op instemming zal kunnen rekenen. Niet zonder slag of stoot zal hij zich echter gewonnen geven, daar hij nog geen flauw vermoeden heeft van het groote goed, dat zij hem voor z'n trots in de plaats willen geven: het gezellig samen zijn. Het verloop van dezen belangwekkenden strijd zullen wij in het volgend hoofdstuk verhalen. En als het u, die dit leest gaat als mij die dit schreef, zult gij er de hoogelijk-bewonderende, staag geboeide en teerontroerde getuigen zijn van nieuwe geestelijke veroveringen: dit maal op eigen lagere neigingen behaald; zult gij met mij medevieren: der gezelligheid zoekende ziele zachte maar zekere zegepraal.

131

Sluiten