Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ .c Eer we daar echter mee beginnen, moeten wn eerst 30. Personificaties . , ö ,

in de volkstaal n°fl ccni9e voorbeelden van persoonsverbeeldingen nagaan. Ook in de taal van het gewone volk komen zulke op uitvoeling berustende persoonsverbeeldingen heel vaak voor. Zoo denkt de visscher aan ons strand, bij de monding van een rivier, niet aanstonds aan de uiterlijke gelijkenis van die opening in den oever met onzen mond, maar bij voelt zichzelf in heel z'n menschelijke lengte met armen en beenen in de rivier uit, juist als Vondel, wanneer bij den Rijn aanspreekt:

Ghij streckt de voeten aen 't gebergt,

□ Daer sich de Zwitsers in bescharmen, □ Wanneer men hen om oorloogh vergt:

Ghij grijpt de Noordzee met üw' armen,

□ Waerin het heldeneyland leyt, Q Daer Bato sich ter nedersette. i

En zoo zal die volksman, na zich met z'n geheele gestalte in zulk een stroom te hebben uitgevoeld, er dan natuurhjk ook vanzelf toe komen, z'n eigen mond met den mond der rivier te vereenzelvigen, de zijstroomen als armen, en de bedding als een bed op te vatten. En zoo bemerken wij ook elders, dat we zulke overdrachten niet elk afzonderlijk kunnen verklaren, maar ze weer samen moeten vatten en aaneenvoelen, om zoo tot de ware, oude volksopvatting te geraken. Het beste voorbeeld daarvan is wel de berg, in bijna alle Germaansche talen zoo genoemd naar z'n holen en krochten, omdat hij her-berg en berg-plaats bood om mensch en dier te bergen. In de grotten dacht men zich dus als in den buik of in de ingewanden van den berg. Boven zich had men natuurhjk her hoofd of den kop, onder zich den voet van den berg. Was het een langwerpig gebergte, dan had die berg ook een rug en soms een of meer halzen (Schlünde), en gewoonhjk ook een paar horens (Horn) of tanden (Bergzahn). De hellingen heetten natuurhjk flanken of zijden. Metaallagen waren zijne aderen, de aardhars zijn vet (Bergfett). Zulke overdrachten van menschelijke lichaamsdeelen op onbezielde voorwerpen zijn er nu in de volkstaal bij de vleet. Zij bewijzen wel degelijk, dat de gewone man Uit het volk, dikwijls nog even naïef is als Keesje, alles naar zich zelf beoordeelt en in alle dingen kleine mannetjes ziet. Trouwens de Algemeen-Beschaafde taal heeft zeer veel van die namen overgenomen.

Zijn er in het volgende lijstje misschien woorden of uitdrukkingen . ,j|e je jjjgj vgjstaat? een lidmaat der gemeente — het haar van een plant — de kruin van een berg — het hoofd van den staat — een hoofdman van roovers — kopjes (in 't Boerenland) — een theekopje — de kop van een spijker — het hoofd eener rekening — een zeehoofd, havenhoofd — een kaap — de zenuw van den staat — het front van een gebouw —- het voorhoofd van

132

Sluiten