Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terugwijkt, of een landtong die uitsteekt, van een rivier die de grenzen overgaat. Begrijp je nu, waarop al die uitdrukkingen berusten?

Ook dichters doen en denken vaak als groote, 31. Peirsoonsverbeel- gemaic kinderen. Zij weten natuurhjk heel goed,

en^hrivers dat de de avond 01 nadit fleen P«-

sonen zijn, evenmin als de zonnestralen of het

onweer, als het viooltje of de lelie. En toch spreken zij van een juichenden morgenstond, een versmachtenden avond, en een duisteren nachtgod, van lachende zonnestralen en grommend onweder, van het onschuldig viooltje en de trotsche blanke lelie enz. In de naïveteit van een natuurlijk menschenkind voelen zij zich in de natuurverschijnselen naar buiten. Soms zelfs koozen en koesteren zij die illusie met een warme liefde, dat het onbezielde hun werkelijk toeschijnt te gaan leven. En ook wij, koelere menschenkinderen, vinden dat toch wel mooi; we laten ons drijven op kinderlijke fantasie, en dit te liever, als toch inderdaad diep daaronder groot-menschelijke zieleadel lijdt of jubelt, en ideale gevoelens als sterren liggen te vonkelen. Om nu het verband met de kindertaal goed te laten inzien, geven wij eerst een kindersprookje en daarna een sprookje voor groote menschen. Het verschil is natuurhjk, dat de kinderen, die dit sprookje hooren, werkelijk gelooven, dat de stertren ook kindjes zijn, terwijl een lezer van „De Japansche steenhouwer" er niet aan gelooft, dat een mensch: zon, wolk of rots kan worden. Daarna geven wij een parabel of gelijkenis, verder een dichterlijke moderne mythe van „de treurende maanden om het doode jaar" en ten slotte twee fabels. KINDERSPROKE :-: :-: :-: :-: :-: door Marie Boddaert. Nacht is niet boos... Als hij komt. Ze wand'len boven den ganschen nacht Maakt hij den hemel open, [de nacht. Op hun kleine bloote voetjes, [zacht En veel sterren en sterretjes komen Dat doet geen pijn... de wolken zijn Op gouden voetjes geloopen. [zacht En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes. Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneên Ze mogen nooit leven maken; dat zou Zouden zij heel graag komen; De moede menschen hinderen...

Maar ze zijn bang voor de groote zeen 'k Geloof niet dat ik ze hooren zou; En voor de hooge boomen. Maar er zijn ook zieke kinderen.

[hebben licht, [gaan, 't Is boven óók donker... maar zij • 'k Zou heel graag eens naar boven De zon gaf ze allemaal lichtjes, [dicht Als 'k wist hoe daar te komen... Voordathijnaarbedging;diehoudenze Vogels hebben vleugels aan. Bij hun gouden sterregezichtjes. [nacht, Die vliegen boven de boomen, Zij kijken, en lachen, en knikken goê- — Bouwen ze boven ook hun nest? En zeggen: „je moet gaan slapen". Of zou hun dat niet bevallen 1... Zij worden eerst naar bed gebracht En loopen je altijd alleen? — Je zoudt Als de zon heeft uitgeslapen. Uit je open huis kunnen vallen! [best

134

Sluiten