Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zetten. Dat mocht niet en dat kon niet: een pinkje, dat vloog en zong; kom kom, hij zou moeder dat wel eens leeren, en z'n wijsvinger aanwijzend {want al z'n vingers noemt hij voorloopig nog pinkja) komt hij haar ernstigverontwaardigd onder het oog brengen: dit is pinkja, niet vinkja (Dit is het pinkje, en buiten dat is er geen, en bovendien spreekt U pinkje nog verkeerd uit: U zegt vinkje en dat is fout). Nou zou moeder het wel begrepen hebben, dacht bij. En zoo was het ook. Want daarom schreef ze 'top, als een interressant staaltje van Keesjes inbeelding. Hij toch is alles op de wereld, en al het andere, de menschen, tot vader en moeder inkluis, zijn er alleen om hem te dienen. Vandaar dan ook, dat bij met 'n soevereine minachting in volslagen onwetendheid verkeert omtrent hun innerlijke bedoelingen. Wat zij zeggen, vat hij altijd op, van zijn eigen keizerlijk-koninklijk standpunt. Hij vermoedt zelfs niet, dat zij, van hun standpunt, met die woorden iets anders zouden kunnen bedoelen.

Keesje was op het einde van z'n tweede levensjaar nog 5. Keesjes woor- aleens ziek,en moest eendrankje innemen. Om hem daar wTth«Irzelfnmee W&a)ske)ifc. aan te krijgen zei moeder als ze het hem bedoelt ingaf altijd: lekker, lekker, wat hij toen blijkens ekka

kooraa (lekkere koolraap) al goed verstond. Hij echter «— en niet zonder reden, dezen keer ~ had van dat leelijke drankje gauw genoeg, maar noemde het toch net als moeder: ekka (lekker). In het derde jaar echter kwam Keesjes opvatting van lekka en akka al heel spoedig aan het licht. Want hij gebruikt dan: ekka siert; ik heb genoeg van 't prentjes kijken; ekka geta: ik heb genoeg gegeten; ekka peerd: ik heb nu lang genoeg gespeeld; ekka chapa: ik heb lang genoeg geslapen; Keesja eef ekkasit: ik heb lang genoeg gezeten', lekka luist: ik heb lang genoeg geluisterd. Hiertoe werkte trouwens nog iets anders mee. Moeder vroeg hem na tafel dikwijls: „Lekker gegeten". Zei hij dan: ja, dan mocht hij opstaan en gaan spelen Zoo zei ze ook: „Lekker geslapen?" na z'n middagdutje. Ook in deze gevallen konhij dus lekker als genoeg opvatten.

Niet zoo onnoozel was zijn opvatting van foei. Als hij t _7at . u^'C 9aat gooien of iets anders gaat doen wat bij weet, dat aTX^ÏÏ ^t -ag. zegt bij: foei. Hij had dus blijkbaar het als eigen stemming, verbod bedoelde foei opgevat: als de naam van gooien.

en verder van alle vermakelijkheden, waar moeder niet mee ingenomen was. Juist als een koning zich niet kan bekreunen over de gaeie of kwaje buien van z'n kamerdienaar, laat ook het kwaad zijn van vader, moeder of grootpa ons koninklijk Keesje vrij koud. Als moeder hem berispend toevoegt oopa is kwaad of moeder is kwaad, dan houdt hij dat voor een onvermijdelijk begeleidingsverschijnsel van Zijn prettigste spelletjes. „Je bent stout" zei moeder eens. Moena kaad (kwaad)? vroeg hij. „Ja moeder is kwaad", antwoordde zij streng. En in plaats van zich

142

Sluiten