Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordje noodig is, nog altijd weer zijn eigen naam gebruikt: Keesja is 9 bava jongs. Keesjs is ook niet aadig. Keesjs is in ds boom gekomms. Ben je, ook door moeder en vader, meest als bejjs uitgesproken, komt aanhoudend voor, maar js bent nog niet. Is kwam het eerst van allemaal in gebruik. Het meervoud van den 3den persoon zijn gebruikt hij reeds goed; alleen hecht hij er naar analogie der meeste meervoudsvormen die een tweede lettergreep met -9 hebben, ook soms zoo 'n achtervoegsel aan: Arra ds bats zijn fan ds boom af. Gistra, as ws bij oopa gsweestzijn, maar vroeger reeds: Wat sijna die non? (Wat zijn dat nou allemaal?) Waren echter komt nog niet voor, alleen was, gelijk we in 't volgend hoofdstuk zullen zien.

23. Vormen van M^moeihjkheidgeefthemhebben.Behalvehetlater hebben. no9te bespreken gaebt, komen hier voor: ik heeft, eef

ik, maar in de laatste maand van dit jaar ook: 'k heb sk ik. Verder heb-js maar nog niet js hebt, en heeft-ie, maar evenmin hij heeft, wel: die heef. Het meervoud komt nog niet voor, evenmin als had, hadden of iets wat erop lijkt.

24. De derde per- Van de andere werkwoorden bestond langen tijd alleen soon uitgaande een va9c derde persoon, meestal, maar toch niet altijd op -t. uitgaande op een -t. Zoo: iVon zegt Keesjs st choed,

da poes staat zoo, zoo doet de pan, nu komt de maan op de wotka, st tot (het rolt); nou toopt de maan, nou slaat ie stit. Wat zingt het ochja (orgeltje) noa vada? Keesja borstat (borstelt) enz. Maar aanvankelijk nu ook: fit chaat, ik loopt enz. 't Is weer 9/io tegen '/^l

25. De eerste per- Daarentegen krijgen de hulpwerkwoordsvormen zal, soon zonder -t. maS en wil nooit een -t, waarbij wel opmerkelijk is,

dat ze ook nooit bij Keesje — en anderen! in den derden persoon voorkomen: 'it wil bij je staan, moeda, ik sajfs meta, 'k za jou is omdoen, moeda zak is deksa ara' (zal ik het deksel eens halen)? Maar ook de overige werkwoorden verhezen de aanvankelijk gebruikte -t heel spoedig: moeds 'k uot t st (ik voel 't), 'k doe niks, ik doe 't feschje in de kapiet, 'k kom niet jij meta, 'k schijf niet a a (geen a), eef ik, tegenover heeft ie, maar ook: die heef niks an (wat moeder trouwens ook zegt), nou begin ik weet. Wel echter komt soms een -n-uitgang voor: ak zan akik an ands boek haws (ik zal een ander boek halen) eit zien st nie. (Ook moeder zegt gewoonlijk: dat zien ik niet. hier staan ik, enz.). De verleden tijd, die juist meestal in den derden persoon voorkomt, heeft nooit een -t: nou wou ik mewk, de sowdaat bwoosts, bwies, bwoos, vats was ets, koe wou choppe enz. Zie verdere voorbeelden hiervan in het volgende hoofdstuk, waar de opkomst der werkwoordstijden uitvoerig zal behandeld worden .

154

Sluiten