Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordige werkelijk beleeft, komt ten slotte allemaal in bet verledene terecht, en blijft daar min of meer getrouw bewaard. Spoedig voelt hij nu dan ook een dringende behoefte naar nieuwe woorden en vormen voor den verleden tijd.

15 V ltooiin Nu is het echter zeer merkwaardig, dat de beide verleden en voortdurina tijden bij Keesje juist in het begin allerduidelijkst

van beteekenis verschillen. De gegeven voorbeelden van den voltooid verleden tijd: is ammaal oppapaapt, nou eef moena oppapuimt zijn niet per toeval juist voltooibare handelingen of met een geleerden naam: perfectieve werkwoorden. Het oprapen kan lang of kort duren, maar als het laatste stuk van den grond is opgenomen, kan men niet langer blijven oprapen, de handeling is afgeloopen, is voltooid. Met opruimen is het juist hetzelfde. Als het laatste bord en het tafellaken weg zijn, kan moeder niet langer doorgaan met opruimen, het opruimen is gedaan. Daarnaast staan nu de duratieve werkwoorden of voort-durende onvoltooide handelingen, waar men wel mee op kan houden, maar die toch eigenlijk nooit klaar komen, en waar men dus, binnen zekere grenzen natuurlijk, altijd mee door kan gaan. Zoo kan Keesje rijen met z'n wagentje, zonder dat het rijen ooit voltooid wordt.

16 Middel en doel Maar hoe komt Keesje ineens aan zoo'n geleerdheid?

zal men vragen. Wel, het onderscheid tusschen deze twee tijdsbeschouwingen of aspecten heeft moeder hem weer vanzelf voorgepraat natuurlijk; maar hoe komt z'n klein verstandje erachter, dat daartusschen dit fijne verschil bestaat, waar sommige geleerden zelfs moeite mee hebben? Och, toch vrij eenvoudig, als wij ons weer maar in Keesjes wereldbeschouwing verplaatsen. We hebben toch al zoo dikwijls gezien, dat zoo'n kleuter juist heelemaal geen bespiegelende geleerde is, maar voelt, begeert, streeft, dwingt, en wil met een koppig willetje. Welnu, juist van dit standpunt bezien, is het onderscheid tusschen durende en voltooide handelingen, niets bijzonder fijn of moeihjk, maar aanstonds in het oog springend. Als Keesje wil rijen gaat heel z'n willen en begeeren, naar het rijen zelf; hij wil rijen en niets anders; rijen is z'n doel, dat midden als een zon in z'n bewustzijn staat, z'n éénig doel, al de rest laat hem koud; maar als hij iets wil oprapen is zijn verlangen juist gespitst op het klaar komen met oprapen, om het weer in z'n handje te hebben. Het „hebben" staat midden in z'n bewustzijn. Hij wil eigenlijk niet het oprapen zelf, oprapen schemert slechts als een ster aan de kim van zijn hemel; dat is hem maar middel tot z'n doel. Wij zouden dus de beteekenis der durende en voltooide werkwoordsvormen, van Keesjes vroegste beschouwing uit, het beste als doelhandelingen en middelhandelingen kunnen kenschetsen. Maar weldra vermengen zich in zijn hoofdje, juist als de sprookjesvaagheid met het begrip van het verleden, en zijn hoop

174

Sluiten