Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lag, dan was mama's land zeker wel honderd duizend miUloen mijlen van hen af, dacht John Winterfleld Mac Kean. John en mama spraken soms samen een bizonder taaltje, mama's taal die niemand verstond, dan zij beiden. Mama zeide dat iedereen zoo sprak in haar land achter de zee. „Haar land scheen eerst niets dan grijze steenen, waar zeevogels huisden, maar dan kwamen er groene weiden en gele velden en werd het donker van de groote bosschen, waar wolven en beren hun holen hadden. Achter de bosschen verhieven zich de rotsen hoog en vrij, waar de rivier bruiste en de boschhoenders fladderden en heele kudden rendieren weidden. De getakte horens der rendieren geleken een heel kreupelbosch dat zich omhoog verhief en boven op de rotsen lag er sneeuw die nooit smolt. Dat land was het mooiste land van heel de wereld", zeide mama. Maar John Winterfleld Mac Kean geloofde dat geen land in heel de wereld zoo mooi kon zijn als het groote, steenen huis3) met de rozen en de rivier met de groote boomen er langs, en groene weiden zoover als John maar zien kon. Op zekeren dag trappelden twee roodbruine paarden het straatje in en bleven voor het huisje stil staan3). En Wilson sprong van zijn plaats op den hoogen bok naast een vreemden koetsier en deed het portier open. En iemand liep het tuintje door en kwam het huisje in. Iemand met een streng, bruin gezicht en een wit litteeken dwars over het voorhoofd4). En die iemand had tegen mama gesproken en mama had John opgenomen en tegen zich aangedrukt. Maar John had onder mama's arm doorgekeken en zag hoe al de kinderen uit het straatje naar het mooie rijtuig met de twee roodbruine paarden stonden te staren. En John had zich los gewrongen en was naar buiten geslopen. Maar toen Wilson John van een der roodbruine paarden gelicht had, waarop hij hem gezet had en het rijtuig en het strenge, bruine gezicht weg waren, had mama gehuild en gezegd dat zij nu nooit naar mama's eigen land zouden gaan. Na een tijdje waren de roodbruine paarden weer gekomen, zonder het bruine gezicht, alleen maar met Wilson5). En Wilson hielp mama en John Winterfleld Mac Kean en de koffers in het rijtuig. Toen was het groote, steenen huis er weer. Maar de rozen waren verlept, en de najaarsstorm floot en suisde door de dichtbebladerde kronen der boomen. En het was koud buiten en binnen. Want nu stond er geen ziekenstoel op rolletjes voor den haard en Mama zat er niet naast op een laag stoeltje en John Winterfleld Mac Kean staarde niet op een pouf naar de vlammen die even hoog waren achter het ijzeren traliewerk van den haard als hij zelf. Nu zat het strenge, bruine gezicht6) vlak op den haard en daarnaast ruischte een zijden japon en twee strenge licht-blauwe oogen keken stekend onder een hoofd met krullend rood haar uit. En mama en John zaten samen heel ver van het vuur. Mama was zoo klein en zoo smal geworden en men kon haar bijna niet hooren loopen en

') Noorsch. ') Het ouderlijk huis in Engeland. 8) Bezoek van den kooper van hun mooie huis, die Wilson als huisknecht had overgenomen. *) De nieuwe bezitter van het huis. 5) Maqia wordt juffrouw van gezelschap bij de bezitters van haar vroeger eigen huis. 6) De bezitter van het huis, en z'n vrouw. tri

190

Sluiten