Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telde mama iets grappigs en vergat John het en viel hij in slaap. wi Het najaar liep ten einde. En de winter eveneens. De roze takjes vertoonden weer groene scheutjes en de vogels zongen in de toppen der boomen en de grasvelden werden groen als fluweel. Toen klonk op zekeren dag een nieuw geluid door het groote, steenen huis, een zwak, klein kinderstemmetje. En nieuwe menschen liepen af en aan.!) Dien avond was mama als de mama van vroeger. Zij lachte en neuriede en vertelde John: dat oom Ronald, die nu de eig enaar was van het huis en den tuin en al de groene weiden, zelf tot nu toe geen kleine jongen had, daarom moesten John en mama oom Ronald gezelschap houden. Maar nu hadden oom Ronald en tante Hermione zelf een klein jongetje gekregen: een nieuwen, kleinen John Winterfleld Mac Kean. Nu konden mama en John weer gaan waarheen zij wilden. Daarom zouden zij nu naar mama's eigen land reizen. En mama zat dien avond boven aan de tantes in mama's land te schrijven: dat John en zij komen zouden. John herinnerde zich zoo duidelijk, hoe mama er uit zag toen zij zat te schrijven. Haar zwaar bruin haar hing los over de lichte morgenjapon. Af en toe keek zij op en knikte John eens toe, die haar door de trahes van zijn bedje kushandjes lag toe te werpen tot zijn oogen zich sloten en het handje slap omlaag viel. Dat was het laatste, wat John zich van mama herinnerde. Want den volgenden morgen was mama ziek. De dokter kwam en zeide dat mama dadelijk naar het ziekenhuis moest En mama kuste John en huilde. En oom Ronald ging bij mama s bed zitten en toen hij heen ging, gaf hij haar de hand en zeide: „Dat beloof ik je, Elisabeth.'.' Toen nam hij John bij de hand en wilde met hem de kamer verlaten. John hoorde mama huilen en wilde zich los wringen, maar oom Ronald hield hem zoo stevig vast dat John mama alleen maar kon toeknikken. Daarop werd de deur gesloten tusschen John Winterfleld Mac Kean en mama. Oom Ronald nam John mee naar een kamer, waar hij heel stil moest zijn. Toen ging oom Ronald naar een andere kamer en door een kier van de deur zag John een hoofd met rood kroeshaar in een wit bed. Daarop kwam oom Ronald naar John toe met een onbekende dame2), die een wit bundeltje droeg. Zij bukte zoodat John het witte bundeltje bekijken kon, en toen zag John een klein, rood gerimpeld gezichtje dat evengoed van een pop als van een mensch kon zijn, en vochtige bruine krulletjes. John mocht het kleine handje aanraken, dat dadelijk stevig en warm zijn duim omklemde. Oom Ronald keek naar het kleine roode gezichtje en zijn eigen gezicht stond bizonder zacht en vriendelijk terwijl hij het kleine kindje bezag. Daarop keek oom Ronald John aan en zeide: „Ik geloof dat hij op jou lijkt, John Winterfleld Mac Kean." Van dat oogenblik af was het nieuwe, kleine jongetje John's beste vriend, na mama en na Wilson natuurhjk. Vele dagen verhepen. John mocht iederen dag met oom Ronald naar het nieuwe jongetje gaan kijken. Mama kwam niet terug. Op zekeren avond kwam oom Ronald de kamer binnen, waar een meid dieren van papier voor John zat te knippen, die paarden moesten verbeelden, maar John zag *) Oom en tante hebben een kindje gekregen. 2) De baker. >:

192

Sluiten