Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat maken? Is het verder, wonder, dat hij soms nog een aanloopje of een oogenblikje rust noodig heeft: voor of na dat kunststukje en voor blok: balok, en voor helpen: he/fopa zegt; gelijk hij vroeger voor wolken: worra/ca, werk: weak, kerk: kèak, harken: aaka gezegd had?

Luister eens goed, of je dit zelf ook niet doet? En hoe spreek je OEFENING. ^ eigende woorden uit: kelk, balk, dolk, kolk. stolp, welp. stulp, ark worp. burg, turf, durf, korf?

De /-spreuken en liedjes zijn dan ook wel de moeilijkste van alle: Lippen liep langs Lippens lochting; laat Lippen langs Lippens lochting loopen. — Leentje leerde Lotje loopen langs de lange lindelaan. — Kromme slomme populiere, gaai perse. — Roo lint, blauw lint. — Bloedrood braamblad. — Een breed beetblad, een smal braamblad, en een kersenlaren zoutvat! ~ Ginder achter Loenhouts akker. Ligt een breed bleek beetblad. — Twee paar koppels knop-slobkousen — De domme koe, de kromme koe, En die blonte klonte vrouw

De korte kale kromme koe Had vier blonte klonte kindren,

Die kreeg een dom kalf, een krom kalf En die blonte klonte kinderen Een kort, kaal en krom kalf Aten blonte klonte pap

Toen kwam de jonge wolf Uit een blonten klorten ketel,

De domme wolf, de kromme wolf Met een blonten klonten lepel. — De korte, kale kromme wolf, Meulen. meulen

En die nam dat jong kalf Een paard met een veulen,

Dat dom kalf, dat krom kalf Een vrouw met een kind:

Dat kale korte krom kalf, Mijn liedje begint.

En daar stond toe, de krom koe. Een koel en een kalf:

De domme koe, de kromme koe (enz. Mijn liedje is half weer van voren af aan). ~ Een trompet en een fluit:

Daar was eens een blonte klonte man Mijn liedje is uit. — En die blonte klonte man De koster van Knocke

Had een blonte klonte vrouw Klopt de Knocksche klokken.

18 Drie mede 'aatstc niedeldinkers, vooral de r en / en die fijne

klinkers in de 5' hebben moeite gekost, maar ze zijn dan toch ook wel silbedaling. wat moeite waard. Want kijk eens aan, wat hij er al niet mee doen kan. Verreweg de meeste, ja meer dan driekwart der dubbele medeklinkers in onze taal beginnen of eindigen met een s, r of /. En zoo waar, omtrent de helft van zijn vierde jaar begint Keesje nu ook drie medeklinkers achter elkaar te kunnen zeggen. Op het einde der silben is er weer het eerst gelegenheid voorzoo n driemanschap. Nadengrooten mensch-klinker komt dan een der flinke jongens r of f, soms ook n. Daarachter een dik machocheltje van een s of van een opgeschoten Ar, en ten langen laatste nog een broekje van een f, (samen een bergglooiing). Tot z'n derde jaar zei Keesje voor korst: kost, borst: bost, worst: wost, en voor snorkt: snort, en voor inkt: ingt (de ng is één klank,

208

Sluiten