Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pot wel wee maken", — „Ja", weende Mientje al zachter, „de timmeman zal de pot wel wee maken", en daarmee gingen de beide leeddragenden de deur uit en vergaten heelemaal, dat ze grootvader en grootmoeder hun Zondagsche hoofddeksels nog ophadden. Toen de beide deerntjes naar buiten gingen, kwam juist door de poort een kleine dikke man naar binnen met een roodachtig gezicht en een kokkerd van een rooien neus, dien hij een beetje in de lucht stak. Hij was nu juist wel zoo heel dik niet, maar mager was hij toch nog minder, en men kon duideüjk zien, dat hij al begonnen was, een beetje buik te laten staan. De kleine deerntjes moesten hem op haar weg tegenkomen en toen ze ver genoeg waren, dat de heer „entspekter"J) — want zoo'n post bekleedt de man met de kleine beentjes — ze in 't oog kreeg, stond hij stil. „God bewaar ons 1" riep hij, wat zie jullie der uit!? — Wat maak jullie voor moe vemangs!2) — Wat? Jullie hebben de ouwe lui der heele Zondagsche sieraad op 't hoofd!" — De beide kleine deerntjes lieten zich heel geduldig „het sieraad"'afnemen en heten de scherven van den gebroken pot zien en zeiden, dat de timmerman hem wel weer heel zou maken — „Wat?" «— zei de heer entspekter Brasig want zoo schreef hij zich — „hoe kan er zoo'n domheid in de wereld assisteeren!3) — Lientje, je bent toch de oudste, ik had je voor verstandiger getaxeerd; en, Mientje, schei er nu maar uit met huilen, je bent m'n petekind, ik zal je met de kermis een nieuwen pot weeromgeven. Maar nu, allong4) samen 't huis in! En zoo dreef hij de kleine kinderen voor zich heen, en volgde achter hen met in de eene hand een pruik, en in de andere een muts. Toen hij in de kamer kwam en daar geen mensch vond, zei bij bij zich zelf; „Denkelijk allemaal aan 't hooien. — Ja, ik moest eigenlijk ook naar mijn hooi gaan kijken; maar dat kleine volk heeft deze twee monsters van hoofdtooisels zoo toegetakeld, dat ze in ongelegenheid zullen komen, als de beide grootjes merken wat er gebeurd is; ik moet die beide hoofd-creaturen dus weer een beetje zien op te repareeren. En meteen haalde hij een kammetje voor den dag — dat had hij altijd bij zich, wijl hij ook al zoo zachtjesaan wat dunharig begon te worden, en de haren uit den nek naar voren moesten worden gekamd — en begon een kunstbewerking aan de pruik. Dat ging heel goed, maar nu kwam de muts aan de beurt. ~ „Lientje wat heb je ze toegetakeld! — 'n goeie fasjong5) Is er met geen mensehen-mogelijkheid meer in te krijgen . — Nu moet ik me toch eens zien te herinneren, hoe de ouwe Vrouw er op Zondagmiddag uit ziet. — Van voren heeft ze aan eiken kant een tamelijk groote tros zij en lokken, en daar floddert het voorste deel van die ouwe muts zoo'n duim of drie overheen; dus moet het vod vooral aan den voorkant, uitkomen. Van boven is er niets bijzonders, daar komt haar kale knikker altijd doorheen kijken; maar aan den achterkant, daar heeft ze altijd zoo'n zak zitten, dien stopt ze met een wiek vlas op, en dat nu heeft het kmd heelemaal verrinuweerd6), dat moet weer opgepoft worden." Het werk ging hem niet vlug van de hand, en toen hij er nauwelijks half mee klaar was, werd x) Inspector: opzichten 2) Mouvements. 3) Existeeren. *) Allons. 5) fatsoen. 6) geruïneerd.

222

Sluiten